Over Duitse filosofie

 

Dit is een verzameling van weblogs over Duitse filosofie

door Maria Trepp

Contact

 

 

Susan Neiman over realisme en idealisme, over Kant en over Edmund Burke

woensdag 18 november 2009 17:49 door Maria Trepp

Tags: morele helderheid, egoïsme, hobbes, realisme, idealisme, edmund burke, kant, susan neiman

http://www.passagenproject.com/susan_neiman.jpg 

Susan Neiman

  Het Wilderiaanse Nieuw-realisme met zijn wortels bij Wilders-peetvader Bolkestein is in feite een hobbesiaans realisme. De wereld wordt beschouwd als het toneel van een niet-aflatende strijd om  macht.[1] Volgens Hobbes is  de mens van  nature niet geneigd  tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd).

 “Realistisch” is een hobbesiaanse houding inzoverre als ervan uit wordt gegaan dat de wereld, en de vijandige menselijke verhou­dingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is.

  In de ogen van Susan Neiman is het hobbeaans realisme gevaarlijk omdat het de mens als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De 'oorlog van allen tegen allen', die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet Neiman af als bovenmatig zwartgallig.

“De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.” NRC 2-1- 2009.

 

In haar boek “Morele helderheid” stelt Neiman betreffende het neoconservatieve “realisme”, dat conservatieven aan een overdaad van mogelijke metafysica's lijden en een slingerpad bewande­len tussen een realisme dat de slechtste kanten van menselijke en ande­re naturen als ankerpunten neemt, en een idealisme dat blind is voor al­les behalve de weerspiegelingen van zijn eigen dromen (p 129).

Neiman beschrijft ook het realisme van Edmund Burke dat volgens haar typisch is voor het conservatief realisme:

“Zoals de meeste conservatieven maakt Burke gebruik van de retorische kunstgreep om zijn visie niet zozeer als een visie maar als een mix van gezond verstand en nuchtere observatie te presenteren. Ideeën en ideo­logieën zijn iets voor progressieven; conservatieven zijn simpelweg re­alisten die zich tevreden stellen met erop te wijzen hoe de wereld nu eenmaal in elkaar steekt. Het genoegen waarmee Burke de 'bazelaars en avonturiers' belachelijk maakt, verbergt op effectieve wijze dat zijn po­sitie eveneens stoelt op een specifieke en invloedrijke metafysica met haar eigen karakteristieke opvatting over de menselijke natuur.” ( p 137)

Neiman is Kant-specialiste en zij voert Kant aan tegen Burkiaanse nieuw-realisten:

“Een jaar nadat Burkes boek over revolutie was verschenen, publiceer­de Kant zijn antwoord in een pamflet genaamd 'Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk'. (....) Kant schreef dat conservatieven zoals Burke karig zijn met hun ar­gumentatie maar scheutig met hun 'voorname hooghartige toon'. Ze menen ermee te kunnen volstaan radicale standpunten te bespotten zonder die van henzelf te bevragen. Erger nog is dat ze niet opmerken in welke mate onze ervaring is geconstrueerd - en vaak opzettelijk - ter be­stendiging van een maatschappelijk systeem dat precies die mensen be­gunstigt die het als onvermijdelijk bestempelen. ` (p 137)

Net als Boukje Prins ("Voorbij de onschuld") en met Kant zegt Neiman, dat de sociale werkelijkheid niets is is dat onafhankelijk van de mens bestaat, maar gemaakt wordt:

“Van nog groter belang is dat degenen die zichzelf realist noemen op verschillende manieren over het hoofd zien dat je de werkelijkheid op meer dan één manier kunt bezien. je visie op de werkelijkheid bepaalt je visie op wat je in die werkelijkheid tot stand kunt brengen.”( p 138)

Neiman pleit met Kant voor een idealisme dat de spanning tussen ideal en werkelijkheid vasthoudt. Zij keert zich zowel tegen plat realisme alsook tegen puur idealisme. Zij pleit voor een leven tussen ideaal en werkelijkheid, waarbij de werkelijkheid niet simpel kan worden waargenomen, omdat mensen de werkelijkheid altijd “door een bril” zien, en waar ook de idealen niet makkelijk bereikbaar zijn (zoals de neoconservatieve nationalistisch-populistische idealen) maar geduld en een grote tolerantie voor frustraties eisen.

--------------------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------------------------

 

Scepsis en hoop- Peter Sloterdijk over de islam/ Het heilig vuur

 

maandag 17 augustus 2009 13:53 door Maria Trepp

Tags: derde weg, hermeneutiek, religie, islam, bernard lewis, het heilig vuur, peter sloterdijk, nasr abu zayd

http://www.passagenproject.com/sloterdijk_heilig_vuur.jpg

Peter Sloterdijk is voor mij de belangrijkste denker.

 Zijn “Kritiek van de cynische rede” heeft mij diep beïnvloed en is de grondslag van mijn handelen en denken. Het Passage(n)project is in feite een poging om Sloterdijks neo-Nietzscheaanse filosofie en Vrolijke Wetenschap in de praktijk te brengen.

Sloterdijk sluit in zijn schriften ook sterk aan bij Walter Benjamin, die het Passagenproject de naam heeft gegeven.

Sloterdijk publiceert regelmatig over religie. Zijn boek “Het heilig vuur, Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam  biedt een schat aan provocerende beschouwingen.

Wat ik bijzonder interessant vind bij Sloterdijk dat is dat hij een meedogenloze kritiek op de islam a la Bernard Lewis combineert met een zeer gedifferentieerde visie op de ontwikkeling van de islam, die helemaal niet op de lijn ligt van Lewis en de neocons.

In “Het heilig vuur” gaat het in de kern om de “domesticatie van jodendom, chris­tendom en islam in de geest van de goede samenleving” ( p 118).

In de eerste plaats ziet Sloterdijk, net als de neocons, de islam als een militante godsdienst, die historisch gezien militanter was dan het christendom:

“De plicht om te groeien was aan deze godsdienststichting [de islam] niet minder inherent dan aan de zendingsopdracht van Paulus, met dit verschil dat de politiek-militaire dynamiek hier a priori een onlos­makelijke eenheid vormde met de religieuze. Mohammed knoopte aan bij de verscherping van het post-Babylonische jodendom, die voortleefde in de fanatieke toespitsing van Paulus, en ontwikkel­de vanuit deze richtlijnen een integraal militantisme.”( p. 71)

“De constitutieve rol van de militaire factor wordt be­vestigd door het feit dat binnen de canonieke geschriften over de profeet een aparte groep, de zogenaamde maghazi-literatuur, over niets anders gaat dan de veldtochten van Mohammed.”( p. 71)

“De islamitische geloofsijver wordt van meet af aan gekenmerkt door de vroomheid van de zwaardridder, ondersteund door een rijk opgetuigde mystiek van het martelaarschap.”( p 76)

“Wat zich afspeelt in de islamitische gebedshuizen, deze gymnasia van de godsvrucht, dient dus niet alleen om het geloof tot uitdruk­king te brengen. De betrokkenheid op het transcendente, die da­gelijks met lichaam en ziel wordt gevierd, heeft evenzeer het effect dat men in vorm blijft voor projecten van heilige strijdbaarheid. In ethisch en pragmatisch opzicht is de islam er met deze voor alle moslims geldende plicht tot het rituele gebed in geslaagd om het leven van alledag volkomen te laten doordringen door het heilig vuur. De allerhoogste plicht is geheugenactiverende fitness: deze staat gelijk met de geest van de wet zelf. “ ( p 72)

Toch maakt zich al meteen een bepaalde ironie geldend als Sloterdijk schrijft:

“De explosieve uitbreiding van de islam in de anderhalve eeuw na de dood van de profeet behoort ontegenzeglijk tot de po­litiek-militaire wereldwonderen, en wordt alleen overtroffen door de in omvang en intensiteit nog belangrijker uitbreiding van het Britse wereldrijk tussen de zeventiende en de negentiende eeuw. Dat deze razendsnelle, zij het regionaal begrensde wereldverove­ring werd gevoed door de authentieke intenties van de islam en zijn Heilige Schrift, kan geen ogenblik betwijfeld worden.” ( p 72)

Volstrekt anders dan Bernard Lewis en de neocons, die de islam vanuit een apocalyptische visie benaderen, kijkt Sloterdijk in de toekomst:

“Omstreeks 2050 zul­len ontwikkelde Europeanen bij het zien van de chronische stuip­trekkingen van islamitische 'maatschappijen' misschien af en toe moeten terugdenken aan de strijd uit de periode van de reformatie -meer nog echter aan de antimoderne koppigheidsfase van het ka­tholicisme, die duurde van 1789 tot aan het Tweede Vaticaans Con­cilie en die, zoals we ons nog altijd met verbazing voor de geest ha­len, tot voordeel van alle betrokkenen eindigde met de verzoening tussen theocentrisme en democratie. “ ( p 79)

Centraal in de beschouwing van Sloterdijk is dat hij af wil van het Zwart-Wit denken; van het of-of–denken, dat in de logica “Tertium non datur” wordt genoemd.

“Tertium datur”: er is een derde weg, dat is Peter Sloterdijks credo, of liever gezegd, misschien is die derde weg er nog niet, maar we gaan hem bouwen.

“Meerwaardigheidsdenken” noemt Sloterdijk deze derde weg. Zwart-wit-denken (= binair denken) kent maar twee toestanden;  zwart en wit;  goed en kwaad;  terwijl meerwaardigheidsdenken een scala van grijs kent en zoekt.

 Over het meerwaardigheidsdenken in de islam schrijft Sloterdijk:

“Ook op het terrein van de monotheïstische geloofsijver zijn er redenen voor de overgang naar het meerwaardige denken. Juist de islam, die verder toch vooral bekendstaat om zijn hartstocht voor de strikte eenwaardigheid, heeft een exemplarische doorbraak be­reikt naar het scheppen van een derde waarde. Dit gebeurde toen voor de aanhangers van de boekreligies de dwang werd opgeheven om te kiezen tussen de Koran of de dood. Met de invoering van de dhimmi-status, die in feite een onderwerping zonder bekering be­tekent, ontstond er een derde mogelijkheid tussen het ja en het nee tegen de moslimgodsdienst. Dit wordt soms verkeerd opgevat als een vorm van verdraagzaamheid-dat begrip is tamelijk onislami­tisch, en ook tamelijk onkatholiek-, terwijl het eerder als een pri­mitieve uiting van meerwaardig denken moet worden beoordeeld. Voor de onderworpenen betekende dit hetzelfde als overleven, voor de onderwerpers betekende het de ontdekking van een mogelijk­heid om de plicht tot massamoord te ontlopen.” ( p 106)

  Als disciplines die het offi­ciële meerwaardige denken hebben voorbereid, noemt Sloterdijk vooral “het principe van de trapsgewijze hiërarchische ordening en de nega­tieve theologie [...] , daarnaast ook de hermeneutiek als kunst van het meerzinnige lezen en last but not least de ontwikkeling van de monotheïstische humor. “ ( p 110/111) 

Vooral de nadruk op de hermeneutiek is voor mij belangrijk, omdat de hier vaak genoemde oud-Cleveringa-hoogleraar Nasr Abu Zayd degene is die de hermeneutiek op de islam toepast. (zie mijn blog Verlichting in het Islamitisch denken)

Sloterdijk:

“De vormen van hermeneutiek, zoals die in de omgang met de heilige geschriften ontwikkeld worden, kunnen eveneens gelden als leerschool voor meerwaardig denken. Dit komt vooral door de omstandigheid dat de beroepsmatige schriftuitleggers zich met een gevaarlijk alternatief geconfronteerd zien. Het handwerk van het interpreteren vraagt uit zichzelf alom derde wegen, want zo­dra het goed en wel begonnen is, komt het voor de onaanvaardbare keuze te staan om de goddelijke boodschap ofwel te goed, ofwel te slecht te begrijpen. Beide opties zouden noodlottige consequenties met zich meebrengen. Zou de uitlegger het heilige boek zo goed begrijpen als alleen de schrijver dat zou kunnen, dan zou hij de in­druk wekken God op de schouder te willen kloppen en verklaren het geheel met hem eens te zijn-een pretentie die de hoeders van heilige tradities niet bepaald appreciëren. Zou hij het daarentegen in strijd met de consensus begrijpen, of sterker nog het boek vol­strekt duister of onzinnig vinden, dan zou er wel eens demonische verstoktheid in het spel kunnen zijn. In beide gevallen voldoet de uitlegger niet aan de norm en stelt hij zich bloot aan de reactie van de orthodoxie, die zoals bekend nooit kleinzerig was wanneer het erop aankwam ketters te laten zien wat de grenzen zijn. De religi­euze hermeneutiek is dan ook a priori op het tussengebied tussen twee vormen van godslastering aangewezen en moet zich daar in evenwicht zien te houden. In geen andere situatie is er een beter motief om voor een derde mogelijkheid te kiezen. Als je niet zo­danig met de bedoelingen van de schrijver mag versmelten dat je de indruk wekt hem beter te begrijpen dan hij zichzelf bij het dic­teren van de tekst begreep, maar ook zijn boodschap niet zo mag miskennen alsof hij een vreemde was die ons niets te zeggen heeft, dan is het uitwijken naar een middenpositie voorspelbaar. Het tus­senrijk van de uitlegging is de vertrouwde omgeving voor het zoe­ken naar een juist begrip van de heilige tekens; principiële onvol­maaktheid biedt voor zulk begrip alle kans. Ik hoef niet omstandig uit te leggen dat deze arbeid in de schemering van een altijd slechts gedeeltelijk onthulde betekenis bij uitstek geschikt is om het extre­misme te breken “(p 112/113)

 

--------------------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------------------------

  Nietzsche en het antisemitisme

 

woensdag 28 januari 2009 21:44 door Maria Trepp

Tags: antisemitisme, nietzsche, rüdiger safranski

"Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische be­weging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie 'Nueva Germania' te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt onge­twijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. "

Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, "Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving" (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.

 Nietzsche: "'Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilska­pitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt - en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moe­lijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.'


Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema "Nietzsche en het antisemitisme" geschreven (p 331 ff)  

"Het is onbetwist­baar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het anti-semitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.

Tegenover zulke anti-semieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffi­neerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest ver­sterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschie­denis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wij­ze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld [...]  te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelij­ke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden."

"In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aan­tal gedachten voor een psychologie van het anti-semitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en al­leen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben - het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinai­re anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de 'uitverkorene'; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf-die per­manent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere gro­te woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. "

"Toch ontwikkelde hij [Nietzsche]  in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie vol­gens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidingge­vende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. "

"De door Nietzsche verachte anti-semieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebrui­ken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche welis­waar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oor­deelde ironisch: 'Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstan­der van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten be­schouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn'  ".

De pre-fascist Max Nordau, auteur van "Entartung/Ontaarding" (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere "ontaarde" en dus "dood te slaande" geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.

 

--------------------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------------------------

 

 

Nihilisme en transcendentie


Een geliefd scheldwoord van de neocons  voor hun vijanden is “nihilist”. Ellian en Cliteur veronderstellen in het voetspoor van Leo Strauss, dat “de“ postmodernen of multiculturalisten geen waarden en normen hebben. 

Zou men mij een nihilist noemen, dan ben ik het daarmee niet helemaal oneens. “Nihilisme” betekende namelijk oorspronkelijk haat tegen verstikkende en hypocriete burgerlijke conventies (dit heb ik van Michael Ignatieff, The lesser evil, p. 115; een belangrijk boek over politiek en nihilisme). 

Rüdiger Safranski, die ik zeer waardeer, schrijft over nihilisme en transcendentie:
“De shock van de ervaring van de contingentie [toevalligheid, MT] bestaat eruit dat een bewustzijn ontdekt dat het zelf betekenis sticht en dat het zijn (de natuur) daarom van zich uit als onbetekenend, als zinloos verschijnt. Het zingevende bewustzijn voelt zich dus eenzaam te midden van een van zin verstoken natuur. Dat jaagt hem [haar, MT] schrik aan. “( Nihilisme en transcendentie,  p. 21)   

Een nihilisme dat zichzelf serieus neemt en de leegte niet met valse nieuwe zekerheden of allerlei geruststellende consumentistische gedragingen  probeert te ontlopen, eindigt volgens mij haast "vanzelf" in een transcendentie van het nihilisme. 
  

Safranski:
“De mens is een wezen dat kan transcenderen, dat wil zeggen boven zichzelf kan uitrijzen; een wezen waartoe behoort dat het niet aan zichzelf toebehoort. Voor dit transcenderende vermogen bestaan oneindig veel uitdrukkingsvormen. Maar vermoedelijk is transcenderen wel steeds verbonden et de verbazing dat er zijn is, en niet veeleer niets. Uit die speelruimte van het transcenderen ontstaan cultuur en wetenschap en de verantwoordelijkheid voor het leven in zijn geheel, en niet alleen voor het eigen ik. Uit die speelruimte van het transcenderen zijn ook de religies ontstaan. Religies zijn pogingen, de transcendentie, datgene waarheen we kunnen transcenderen,een bepaald gezicht te geven. Het cultureel bindende van ons christelijk-westerse godsbeeld lijkt uitgeput- de plaats van de transcendentie is daarom in zeker zin leeg, althans voorlopig. Maar het vermogen om te transcenderen blijft bestaan, je kunt jezelf open blijven stellen en de verkommering van een eendimensioneel bestaan afweren. Een eendimensioneel bestaan is een verraad aan jezelf omdat het ‘zelf’ als scheppende kracht meer is dan de op een bepaald moment verwerkelijkte gestalte. Een ‘lege’ transcendentie hoeft niet erg te zijn. Misschien vervult ze ironisch genoeg zelfs het diepreligieuze gebod: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken!’. Niet alleen van God, ook van de mens mag je geen beeld maken. Transcendentie betekent ook: dat de mens voor zichzelf een raadsel blijft.” ( p. 32) 

[transcendentie, nihilisme, rüdiger safranskitranscendentie, nihilisme, rüdiger safranski]

--------------------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------------------------

Peter Sloterdijk: Kritiek van de cynische rede


“Kritik der zynischen Vernunft"; met dat boek bracht Peter Sloterdijk de filosofenwereld even in beroering- aan het lachen.” […] “Uitgangspunt voor Sloterdijk is de impasse waarin de maatschappijkritiek – de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule- momenteel beland is. Nooit is de impuls tot kritiek zo sterk overmand geweest door onmacht, onverschilligheid, verlammende onlustgevoelens. ‘In ons denken is geen vonkje meer van verheven gedachtegangen, van de extase van het inzicht. We zijn verlicht- ‘aufgeklärt’- we zijn apathisch.’ “ (Sloterdijk geciteerd na Rob Devos) 

Sloterdijk maakt een verschil tussen cynisme en kynisme. Cynisme is machtsdenken. Cynisme is kritiek van de sterke op de zwakke, is onderwerping, is top-down- georiënteerd. Kynisme is provocatie zonder formele macht. Kynisme ( in de traditie van Diogenes) beweegt bottom up ( in alle opzichten) . 

De inspiratie voor de kritiek moet voor Sloterdijk komen vanuit het levende lichaam. Geen naakt geweld […] maar het geweld van het naakte- “naakt” wordt hier ook overdrachtelijk bedoeld. Naakt is kynisme in actie. Cynisme, dat is de oude moeë slachtofferige of agressieve kritiek. Kynisme, dat is lichamelijke kritiek die het aandurft zichzelf in het spel te brengen en dus vaak een pak slagen riskeert. Deze kynische kritiek ( die ikzelf geprobeerd heb aan de Universiteit Leiden in de praktijk te brengen) is een vrijpostige filosofie, een verrassende ontbloting die onomwonden en offensief de dingen bij name noemt. 
De kritiek van de cynische rede verwacht veel van “opvrolijkende activiteiten, waarbij tevoren reeds vaststaat dat dit niet zozeer activiteit is als wel ontspanning na geleverde arbeid.” (Sloterdijk)



Zie mijn bestandje met belangrijke citaten uit Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, klik hier.


-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Alfred Rosenberg en Nietzsche


Alib schreef  over de nazi Alfred Rosenberg . Ik zal hier in aansluiting aan de Leidse wetenschapper Jaap Hagen ("Nietzsches weerklank in Nazi-Duitsland") een paar belangrijke uitspraken van Rosenberg over Nietzsche aanhalen. Rosenberg is een van de nazi’s die Nietzsche ( ten onrechte) als nazi te beschouwden:


“Nietzsche, stelt Rosenberg, was de Prometheus van zijn tijd. Centraal in zijn denken staat de vraag of grootheid tegenwoordig nog mogelijk is. Zijn fakkel doorlichtte de donkerste heoken van zijn tijd. Eeen gevaarlijke fakkel, want hij dreigde met zijn analyse van vermolmde tradities ook de brug van het verleden naar de toekomst in brand te zetten. De ware betekenis van Nietzsches werk openbaarde zich pas n het verloop van de geschiedenis. Eerst de huidige tijd stelt de lezer in staat deze ‘wegwijzer ‘naar zijn verdiensten te waarderen. Nietzsche wist als Pruisisch soldaat in 1871 wat zijn plicht was. En als de grootste geest van zijn tijd wist hij ook dat alleen groot lijden grootheid kan vestigen. Een rangordening die zich baseert op ‘harde voorname persoonlijkheid’ moet het grootste in de mens weer mogelijk maken. Nietzsches herwaardering aller waarden richt zich tegen de klassenstrijd en de beurspiraten van het liberalisme. Tegenover een verhouding van werknemers en werkgevers plaatst Nietzsche de verhouding van soldaten tot de Führer. Eerder dan anderen voorzag hij een beslissende oorlog wereldbeschouwingen, waarin en strijd van leven op dood wordt aangegaan, tegen al het minderwaardige en gemeenschapsvreemde[…] In de nieuwe levensrangordening, zo besluit Rosenberg, verhoudt Nietzsche zich tot het nationaal-socialisme als een ;nabije verwante’ en ‘geestelijke broeder’. "(p. 104 f.)

Rosenberg maakt naar mijn mening misbruik van Nietzsche.
1. Nietzsche was een filosoof van de kunst, niet van de politiek.
2. Nietzsche haatte militarisme.
3. Nietzsche verzette zich tegen het sociaal-darwinisme- het fundament van het nazisme.

Een belangrijk Nietzsche –citaat:
“[...] in der Natur herrscht nicht die Nothlage, sondern der Ueberfluss, die Verschwendung, sogar bis in’s Unsinnige. Der Kampf ums Dasein ist nur eine Ausnahme, eine zeitweilige Restriktion des Lebenswillens, der grosse und kleine Kampf dreht sich allenthalben um’s Uebergewicht, um Wachsthum und Ausbreitung, gemäss dem Willen zur Macht, der eben der Wille des Lebens ist.”( Die fröhliche Wissenschaft, 5,349, S. 245 f. )

Het sociaaldarwinisme verdedigt het recht van de sterkste. Sociaaldarwinisme is pseudowetenschap, heeft NIETS te maken mee het darwinisme. Dat zag Nietzsche heel goed.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits