Citaten uit : Louis Logister, Creatieve democratie, John Deweys pragmatisme als grondslag voor een democratische samenleving

Maria Trepp

Contact via  mijn weblog

 

Dit bestandje stel ik samen ( het bestand wordt in de loop van augustus 2009 aangevuld)  ten behoeve van mijn onderzoek over de Edmund Burke Stichting en het hoofdstuk over pragmatisme hierin: http://www.passagenproject.com/conservatisme.html

 

“[...] In werkelijkheid is er ruim een halve eeuw geleden in Nederland betrek­kelijk weinig bekend over het werk van John Dewey.' Dit is opzienbarend voor een denker die door velen wordt gezien als een van de grootste file­sofen van de twintigste eeuw.” ( p 13)

“In de eerste helft van de twintigste eeurw donieerde D. De amerikaanse publieke opinie als geen ander   “ ( 13)

 

Deweys concept van participatieve democratie is gefundeerd op pragmatistische antropologie en ethiek ( 14)

“De analyse van Deweys filoso­fie blijkt vruchtbaar te zijn om te komen tot een theoretische onderbouwing van een bepaalde visie op het functioneren van de liberale rechtsstaat. “

“Hoewel de democratische rechts­staat nog steeds bestaat, kampt het democratiebegrip zowel op praktisch als op theoretisch niveau met moeilijkheden.

Op praktisch niveau wijzen lage opkomstpercentages bij verkiezingen en een structureel dalend ledenaantal van politi eke partijen erop dat het vertrouwen van de burger in de democratisch gekozen volksvertegen­woordiging en de bestaande politiek als geheel afneernt (Hertz 2001:106; cf Patterson 2002). Volksvertegenwoordigers zien zich steeds meer ge­bonden aan partijprogramrna's en regeerakkoorden, wat resulteert in een toenemende beperking van de mogelijkheden het bestuur te controleren en indien noodzakelijk beleidsvoornemens ter discussie te stellen. Deze ten­dens wordt versterkt door wat wordt aangeduid als het 'democratisch de­ficiet' van Europa. De supranationale besluitvormingsprocessen die plaats­vinden op EU-niveau en grote invloed hebben op nationale wetgeving gaan grotendeels aan de invloed van burger en parlement voorbij (Witteveen, Klink, et al. 2002:87-88, 95).   

Daarnaast doet zich het verschijnsel voor dat het publieke domein, het domein waar de overheid een belangrijke rol speelt, steeds meer onder in­vloed komt te staan van marktwerking. Publieke dienstverlening is tegen­woordig niet meer de taak van de overheid a11een (Ham en van der Meer 2001 :7, 11). Openbaar vervoer, gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs zijn publieke sectoren die in naam van efficientie steeds verder gemfiltrcerd worden door economische krachten. Economische criteria vervangen de­mocratische criteria als rechtvaardigingsgrond voor beleidsbeslissingen in hct publiekc domein. De vraag of met econom.ische efficientie het publieke bclang optirnaal gediend is, bJijft vaak buiten beschouwing.  “( p 15)

 

Politieke deliberatie: kwaliteit v d besluitvorming is belangrijk: participatieve en deliberatieve democratie. Dewey: filosofische, handelingstheoretische onderbouwing hiervan.  ( 16)

 “Dewey heeft zich zowel theoretisch als praktisch beziggehouden met so­ciale en politieke aangelegenheden. Samen met George Herbert Mead heeft hij meer dan andere pragmatisten aandacht besteed aan de sociale context van het menselijk gedrag. Daarnaast heeft Dewey zich gemengd in veel na­tionale en internationale politieke discussies van zijn tijd “( 17)

 

“Richard Rorty geeft met zijn Philosophy and the Mirror oj Nature (1979) de aanzet voor een hernieuwde interesse in het pragmatisme en John Dewey in het bijzonder. Het feit dat zijn interpretatie van Dewey door vee1 vakgenoten als uiterst dubieus wordt beschouwd, heeft hier slechts toe bijgedragen (Shook 2000: 14; Biesta 1992:8; cf. Hickman 2004: 170). Recentelijk zijn het Jiirgen Habermas, die meer van Dewey geleerd heeft dan hij ze1ftoegeeft (Ryan 2003:43; Gouinlock 1993:91), en Hilary Putnam die de aandacht op Dewey vestigen (Putnam 2001). ( 19)

 

“Dewey kiest er voor om geen nieuwe termen te be­denken am zijn opvattingen onder woorden te brengen. Om in staat te zijn een groter publiek te bereiken dan alleen intellectuelen en academici ge­bruikt hij termen met een gevestigde betekenis. Voorbeelden hiervan zijn de woorden ervaring texperiences en gewoonte (habit) die bij Dewey een ge­heel eigen betekenis krijgen. Deze betekenis legt hij niet in elke tekst op­nieuw uit, wat de helderheid van zijn teksten vaak niet ten goede komt. Hiermee begeeft hij zich op glad ijs. Lezers die zich niet de tijd gunnen om zijn teksten grondig te bestuderen, vertalen de door Dewey gehanteerde terrnen gemakkelijk terug naar de hun vertrauwde betekenis met als ge­volg dat zijn opvattingen als triviaal of onjuist worden begrepen (Van der Scheer 1999: 146, n. 20; Murphey 1988:ix; Alexander 1987 :xiii).

De manier waarop Dewey definities geeft van concepten kan bij de le­zer gemakkelijk tot misinterpretatie leiden. Wat definities lijken te zijn, blij­ken vaak beginpunten voor reflectie waarin de betekenis die Dewey aan een begrip geeft, ontwikkeld wordt (Welchman 2001; cf. 1995: 172). “ ( 23)

 

“Een laatste opmerking betreft de manier waarop Dewey verwijst naar filosofische denkers en stromingen. Bij zijn historische referenties maakt Dewey zich vaak schuldig aan grove generalisaties waarbij hij significante verschillen tussen auteurs uit eenzelfde periode negeert. Dergelijke passa­ges dienen dan ook in de eerste plaats gelezen te worden als verheldering van zijn eigen theorie en niet als accurate informatie over de denkers die hij kritiseert (cf. Boisvert 1988:49). ( 24)

 

“Dewey ziet een grote rol weggelegd voor de menselijke intelligentie bij het construeren van richtlijnen voor het handelen en bij de reconstructie van bestaande instituties die niet meer van deze tijd zijn. Zijn visie op het menselijk denken is monistisch in die zin dat hij elk antropologisch du­alisrne, dat het bestaan van een van het lichaam onderscheiden geestelijke substantie als domein van het denken veronderstelt, ontkent. Het denken ofwel de menselijke intelligentie ontstaat tijdens een ervaring in situaties waann het vertrouwde handel en op een hindernis stuit. In een dergelijke situatie waann het gedrag wordt geblokkeerd, uit intelligentie zich in het maken van een weloverwogen keuze uit een reeks alternatieve hande­Imgsmogelijkheden. Deweys antropologie gaat hier over in ethiek. “ ( 25)

 

“Vooraf gegeven absolute waarden of morele imperatieven sluit Dewey uit als uiteindelijk criterium voor mo­reel gedrag. Hij benadrukt dat niet de wenselijke, maar de waarschijnlijke consequenties van beoogde handelingen doorslaggevend dienen te zijn bij ethische keuzen. Hiermee onderscheidt Dewey zich niet alleen van vor­men van deugdethiek of deontologische ethiek, maar ook van consequen­tialistische stromingen als utilitarisme of hedonisme. “ ( 25/26)

 

“Vanuit zijn antropologie formuleert Dewey een concept van individu­alisme waarbij de nadruk ligt op de sociale context waarin het individu zich altijd bevindt. Het individu kan slechts tot zelfverwerkelijking komen in een sociale omgeving, waarbij het in het proces van zefverwerkelijking een bijdrage levert aan het goed functioneren van de gemeenschap.”( p 26)

 

“In hoofdstuk zeven wordt Deweys visie op het onderwijs geschetst. Het ligt in het verlengde van zijn formele ethiek dat Dewey het doel van op­voeding en onderwijs niet ziet in de reproductie van de bestaande sociale situatie. Ook geeft hij zich niet over aan een romanticisme dat, in de lijn van Rousseau of Russell, opvoeding en onderwijs onderwerpt aan de wen­sen van het kind. De relatie tussen individu en sociale omgeving, die een centrale plaats inneemt in Deweys antropologie, speelt ook in zijn peda­gogische teksten een belangrijke ro1. Door het leren van een bepaalde be­nadering van praktische problemen verwerven leerlingen het vermogen de relatie tussen zichzelf en de samenleving op intelligente wijze vorm te ge­ven”

 

Darwin en Dewey:

“De centrale stelling van On the Origin of Species is dat de soorten zoals ze in de natuur bestaan (species) niet, zoals veel wetenschappers destijds dach ten als zodanig door God zijn geschapen (cf. Darwin 1988:120), maar door middel van een natuurlijk proces uit vroegere soorten zijn ontstaan. Kenmerkend voor dit evolutieproces is dat het gebaseerd is op het vermo­gen van organismen tot aanpassing aan een veranderde leefomgevmg. Als leden van een soort door migratie in een andere natuurlijkc orngevmg te­rechtkomen, overleven slechts diegene die zich weten aan te passen. Door middel van natuurlijke selectie blijven alleen de leden die beschikken over bepaalde adaptieve eigenschappen in leven. Welke eigenschappen voor het voortbestaan van belang zijn, is afhankelijk van de nieuwe omgeving. Na verloop van tijd zal de groep steeds meer verschillen van de oorspronke­lijke populatie en zich ontwikkelen tot een andere soort.

In The Descent of Man (1871) breidt Darwin zijn theorie uit tot de men­selijke soort. Hierin betoogt hij dat de mens zich door rniddel van natuur­lijke selectie uit lagere so orten heeft ontwikkeld. De mentale actlvltelt van de mens, die Darwin in de hersenen lokaliseert, is volgens hem een product van natuurlijke selectie. Het vermogen tot denken is ontstaan bij de poging van de mens zich aan te passen aan een nieuwe omgeving (Bowler 1998:798).

Darwin is niet de uitvinder van de evolutieleer. Reeds in het begin van de negentiende eeuw vormt de evolutieleer een actueel discussiepunt in de wetenschap. De Franse wetenschapper Jean-Baptiste Lamarck formuleert in zijn in 1809 verschenen Philosophie Zoologique een theorie van progres­sieve adaptatie. Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw vormt de Lamarckiaanse versie van de evolutieleer een populair alternatief voor de theorie van Darwin. Herbert Spencer publiceert T71e Principles if Psychology, zijn versie van de evolutietheorie, vier jaar voor het verschijnen van Darwins 01/ the Origin of Species (Menand 2001: 121). Twee jaar later, in 1857, ll1­troduceert Spencer in het artikel Progress: Its Law and Cause de term euolu­tie," Spencer is de grondlegger van het sociaal darwinisme, een theorie waar Dewey regelmatig kritiek op levert.”

“Nieuw in Darwins theorie is het mechanisme dat ten grondslag ligt aan evolutionaire ontwikkeling: het proces van natuurlijke selectie. Hoewel het woord selectie een bepaalde intentie suggereert, is natuurlijke selectie vol­gens Darwin een blind proces dat niet wetmatig in een bepaalde richting wordt gestuurd. Natuurlijke selectie is een descriptiefbegrip. Het verklaart hoe veranderingen in de levende natuur ontstaan. Het geeft niet aan welke veranderingen zullen plaatsvinden (Menand 2001: 122-123). De natuur kent in deze visie geen inherente (ontwikkelings)doelen. Dit botst met de op­vattmgen van veel negentiende-eeuwse evolutionisten die er een bepaalde vanant van de christelijke of neohegeliaanse opvatting op na houden vol­gens welke de bestaande werkelijkheid het resultaat is van een bovenna­tuurlijke intelligentie (Menand 2001:121). Darwins evolutietheorie is niet teleologisch voor zover ze de wereld beschouwt als een werkelijkheid zon­der inherent doel in de betekenis van een gericht ontwikkelingsproces (Menand 2002:364). Het enige 'doe]' dat in Darwins theorie onderscheiden kan worden, is het leven zelf. Elk onderdeel van een organisme staat in dienst van de instandhouding van het leven van dat organisme of zijn nageslacht.

Een van de problemen die het evolutionisme met zich meebrengt, is het aspect van orde. Kenmerkend voor het newtoniaanse wereldbeeld zijn on­veranderlijke wetmatigheden die zekerheid met betrekking tot de gebeur­temssen 111 de natuur opleveren. Darwin, die het domein van de wetenschap uitbreidt met de levende natuur, introduceert op overtuigende wijze het as­pect van toeval in de wetenschap. Het proces van natuurlijke selectie leidt tot een bepaalde orde die gebaseerd is op toeval (Menand 2001:194). Omdat een soort zich steeds in een bepaald stadium van het voortdurende evolu­tieproces bevindt, kan niet meer gesproken worden van soort in de beteke­nis van een categorie die essenties weergeeft: vaststaande kenmerken die evolutiemogelijkheden beperken. Soorten zijn volgens Darwin generalisa­ties die be trekking hebben op groepen interagerende organismen. Ze ver­wijzen niet naar essenties, maar naar waarschijnlijkheid. Ze geven aan hoe een bepaald organisme zich onder bepaalde omstandigheden waarschijnlije zal gedragen. Darwins leer wijst op het belang van statistiek en waarschijn­lijkheidsberekeningen in de (biologische) wetenschap (Menand 2001:194). Door de mens op te nemen in zijn evolutietheorie plaatst Darwin het men­selijk gedrag in het onderzoeksdomein van de moderne wetenschap. “( p 35 ff)

 

“In The Influence of Darwin on Philosophy (MW4:3-14) vergelijkt hij [Dewey] Darwin met wetenschappers als Copernicus, Kepler en Galileo. Darwin zegt met betrekking tot de soorten 'what Galileo had said of the earth, 'e pur si muove',' en verplaatst daarmee de levende natuur naar het domein van wetenschappelijk te onderzoeken fenomenen (MW4:8). Dit maakt het vol­gens Dewey voor de filosofie mogelijk nog een stap verder teo gaan en de methode die de moderne natuurwetenschap op succesvolle WIJze hanteert bij het oplossen van haar problemen over te nemen bij de benadering van ethische en politieke vraagstellingen (MW 4:4, 8). Hierbij dient de filoso­fie niet meer te zoeken naar absolute oorzaken en doelen, maar rekening te houden met verandering en contingentie als kenmerken van de wereld waarin de mens leeft. “ ( p 38)

 

ook psycholoog William James is darwinist. Adaptie: toeval wordt bewuse keuze. Elk gedrag met element van keuze volgens James moreel gedrag. James; evolutionair, functionalistisch, band natuur-ethiek. Ontkennign van determinisme. Beinvloeding James- Dewey ( 40)

 

2.1.6 Chicago-functionalisme

HoewelJames in 1904 spreekt van 'the emergence ofa distinctive school' wordt er de laatste tijd steeds vaker op gewezen dat er op de filosofiefacul­teit in Chicago geen sprake was van een nieuwe benadering van psycho­logische problemen, maar van meerdere. Het gemeenschappelijke van deze benaderingen zit niet zozeer in hun conforme aanpak als in hun oppositie tegen een op introspectie gebaseerde psychologie (Tiles 1999:40-42) in combinatie met aandacht voor de sociale dimensie van het menselijk ge­drag (Rucker 1969:76). “

 

“Het Chicago-functionalisme neemt net als James de handelende mens en de rol die het denken bij het handelen speelt als uitgangspunt van psy­chologische analyse (Bredo 1998:448). Centraal staat het poneren van een functionele relatie tussen fysiologische en psychische gebeurtenissen (Manicas 2002:272). De aandacht verschuift van gerichtheid op de structuur van het denken naar gerichtheid op de functie ervan. Het menselijk bewustzijn wordt niet langer gezien als een geestelijke substantie, maar als een proces van probleemoplossing (Rucker 1969:72). “

Metafysische uitgangspuntenŕ. Evolutiebiologische

 

2.1.7 'The Reflex Arc Concept in Psychology'

Louis Menand beschouwt The Reflex Arc Concept in Psychology als 'de sleu­tel tot Deweys filosofie' (Menand 2001 :327).'7 Hoewel Dewey zich in het reflexboogartikel beperkt tot de psychologie van het gedrag, bevat het ar­tikel de basisstructuur van het dynamisme dat ten grondslag ligt aan ZIJn concept van ervaring dat in de volgende paragraaf aan de orde komt. Het is daarom zinvol om aan het begin van deze studie aandacht te besteden aan dit artikel, dat niet alleen beschouwd wordt als manifest van het Chicago­functionalisme, maar tevens als een van de invloedrijkste teksten in de ge­schiedenis van de psychologie (Tiles 1999:41; Neubert 1998: 142; Morris 1996:58; Shook 1995:347; Welchman 1995:124; Biesta 1992:49). ( 42)

 

“In plaats van de werkelijkheid te verklaren door esscnties (waarnerning, idee, handeling) bloot te leggen, dient volgens Dewey een verklaringsmodel ontwikkeld te worden dat de nadruk legt op functies. . In een dergelijk model worden stimulus, idee en respons niet gezien als zelfstandige onderdelen van een 'patchwork of disjointed parts', maar als functies binnen een organische eenheid (EW5:97). (43)

 

 

Relatie stimulus-respons: coordinatie

“Ter verklaring voor het gebruik van de term coordinatie wijst Dewey op het voorbeeld uit James' The Principles if Psychology van het kind dat zijn hand brandt aan een kaars (James 1890,1:24-26). De experimentele psy­chologie ziet in dit voorbeeld twee reflexbogen: het kind ziet een bran­dende kaars (stimulus), grijpt ernaar (respons), brandt zijnn hand (stimulus) en trekt deze vervolgens terug (respons). Volgens Dewey is dit wel een glo­bale beschrijving, maar geen adequate psychologische analyse van wat er gebeurt. Het zien van de kaars is geen stimulus voor het grijpen ernaar. De beschreven handeling begint niet met een zintuiglijk waargenomen stimu­lus, maar met een coordinatie van zowel een stimulus als een respons. Dewey spreekt van een sensori-motor co-ordination: een coordinatie van zowel zin­tuiglijke waarneming als motorische reactie (EW5:97). De gebeurtenis be­gint met een kind dat kijkt. Dit proces van kijken is geen passieve gebeur­tenis zoals wordt voorgesteld in het reductionistische schema van de reflexboog. Kijken vergt bewegingen van lichaarn, hoofd en oogspieren. De manier waarop Iichaarn, hoofd en oogspieren bewegen, bepaalt de kwa­liteit van wat zintuiglijk wordt waargenomen. De act van het kijken bevat reeds een bepaalde samenwerking of coordinatie van sensorische en moto­rische elementen (EW5:98) voordat de brandende kaars als stimulus wordt waargenomen (Flower 1992:24). De stimulus is dus niet iets dat geheel ex­tern is aan het waarnemend organisme. Hij ontstaat door een herschikking van de bestaande coordinatie van sensorische en motorische elementen (Tiles 1988:46). “( p 44)

 

“Een adequate beschrijving van het menselijk gedrag gaat volgens Dewey met uit van een boog of een deel van een cirkel bestaande uit opzichzelf­staande elementen die op de een of andere manier, zij het met behulp van het bewustzijn ofhet zenuwstelsel, met elkaar verbonden moeten worden, maar van een circuit van voortdurende reconstitutie. De functie van de ver­schillende onderdelen van dit circuit staat niet op voorhand vast (EW5:100). Dewey geeft er de voorkeur aan om niet te spreken van een reflexboog, maar van een organisch circuit”( p 45)

 

“Tijdens de periode van 1884 tot 1909 ondergaat Deweys denken een ver­schuiving van idealisme naar naturalisme. Zijn natuuropvatting die zich knstalliseert tijdens het eerste decennium van de twintigste eeuw vorrnt de basis van zijn latere filosofie (Collins 1960:2-3). Deweys naturalisme ont­beert elke romantische verheerlijking van de natuur zoals bij de transcen­dentalistische denkers Thoreau en Emerson (Campbell 1995:78). Centraal staan de formele aspecten van de rclatie van de mens tot zijn omgeving en van het functioneren van de mens als onderdeel van zijn omgeving”( p 49)

 

“James verwijst treffend naar de darwinistische ele­menten in Deweys werkelijkheidsopvatting als hij schrijft: 'reality ... for pragmatism is still in the making' (MW4:99; LW2:13).

Wat Dewey overneemt van Hegel zijn de concepten van eenheid en ontwikkeling. Het belangrijkste kenmerk van het idealisme dat Dewey ver­werpt, is het concept van de absolute geest als een allesomvattende totali­teit van bewustzijn. De mens als handelend organisme en zijn omgeving dienen gezien te worden in hun eenheid van interactie." De mens past zich niet aileen aan zijn omgeving aan, maar is daarnaast in staat deze omgeving aan te passen aan zijn eigen behoeften." Een belangrijk aspect van Deweys opvatting van de relatie tussen het organisme en de omgeving is dat tijdens het proces van interactie niet slechts een van de polen van de eenheid van mens en omgeving een verandering ondergaat, maar dat de eenheid in haar totaliteit verandert (Biesta, Miedema, Van IJzendoorn 1989:215; Bredo 1998:456). Dit verklaart waaram Dewey de term interactie later vervangt door transactie. In tegenstelling tot de term interactie, die verwijst naar een relatie tussen twee opzichzelfstaande entiteiten, duidt transactie op de een­heid die gevormd wordt door de relatie tussen organisme en omgeving” ( 50)

 

“Naast een afkeuring van het idealisme, dat zich beroept op een trans­cendente bron voor mentale processen, levert Dewey kritiek op het me chanisch detenninisme van evolutionisten als Herbert Spencer die in de na­tuur een ethische fundering zien voor het menselijk gedrag.” ( 50/51)

 

“Van Darwin neemt Dewey de opvatting over dat de natuur zich kenmerkt door voortdurende verandering en dat organismen het vermogen bezitten zich hieraan aan te passen. Doordat de aard van de verandering van de omgeving op toeval berust, kan het niet zo zijn dat er aan de natuur vaste maatstaven voor het menselijk gedrag te ontlenen zijn." Het concept van doeloorzake­lijkheid, dat sinds Aristoteles de filosofische benadering van de natuur heeft bepaald en in Spencer zijn laat negentiende-eeuwse vertegenwoordiger heeft gevonden, is volgens Dewey door Darwin van zijn voetstuk gestoten. Uit de natuur zijn geen vaststaande doelstellingen voor het handelen af te leiden. In de natuur vindt slechts verandering plaats die gebaseerd is op toeval. “( 51)

 

Dewey : “transactioneel realisme”( 52)