zie ook www.passagenproject.com

 

 

De alternatieve Cleveringalezing 2003:

Zijwaarts ... mars! Im Krebsgang op zoek naar wie ik ben

Maria Trepp

 

 

 

 

(Gehouden op 26.11. 2003 op de afvalcontainer achter de opleiding Duits in Leiden, hoek Groenhovenstraat/ Maliebaan)

 

 

 

 

Mijn alternatieve Cleveringalezing is niet bedoeld als alternatief voor de Cleveringarede die vandaag in het Academiegebouw gehouden werd, maar als alternatief voor de Cleveringalezing die hoogleraar Duits Anthonya Visser vanavond in Zwolle houdt. Wie tegen mij zegt, dat het aanmatigend van mij is, een rede onder de naam van Cleveringa te houden en dat ik niets met Cleveringa te maken heb, die geef ik gelijk. Maar ook mevrouw Anthonya Visser heeft niets met Cleveringa te maken en houdt toch een Cleveringarede. En ik heb, zoals ik zal uitleggen,  zeer goede redenen om mijn rede aan haar rede als alternatieve tegenover te stellen.

 

Ik sta hier op de afvalcontainer achter de opleiding Duits omdat ik huisverbod heb aan de Universiteit Leiden, en omdat ik ondanks het huisverbod zeer verbonden ben met de Universiteit Leiden, of liever gezegd met een paar mensen in Leiden. Ik ben verbonden met de Universiteit maar ik mag de Universiteit niet meer binnen anders pakt de beveiligingsdienst me op, sluit me op en levert me aan de politie over. Ik ben eruit geflikkerd omdat ik mijn mond niet heb gehouden en omdat ik mensen geprovoceerd heb. Dus is de afvalbak een geschikt spreekgestoelte voor mij.

 

Ik ben twee jaar geleden in Leiden bij Duits afgestudeerd en ik ben nu lid van het Leids Universiteits Fonds, het fonds voor alumni. Ik ben lid van het fonds geworden omdat ik graag de leidraad, het krantje, of, zoals Vincent Icke zegt, de kleurenkakelfolder, van het fonds wil ontvangen. Ik wil graag op de hoogte blijven van alle gebeurtenissen aan de Universiteit Leiden en de teksten uit het krantje gebruiken in mijn satire De ontdekking van de hel oder Die Wissenschaft in den Zeiten des Tsjakka! of Besturen doe je zo! oder Ars promovendi. Maar niet alleen dat. Ik ben pas lid van het fonds geworden nadat ik huisverbod had gekregen in Leiden. Ik vind het grappig en interessant om te zien in welke rollen men mij wel en in welke rollen men mij in Leiden niet wil hebben. Men wil me niet als kritische stem hebben, en men wil me ook niet als promovenda, maar men wilde me per se als afgestudeerde student kunnen meerekenen in de statistiken, en heeft me daarom met valse beloftes overgehaald af te studeren toen ik het niet wilde; en ook wil men me graag als betalende alumna, dus als lid van het LUF.

 

Van het Leids Universiteits Fonds heb ik een maand geleden via e-mail een uitnodiging ontvangen voor één van de vele Cleveringalezingen die over het hele land verspreid gehouden worden. De aan mij verstuurde uitnodiging was een uitnodiging voor de lezing die in Den Haag plaatsvindt. De sprekers en de titels werden genoemd van de twee lezingen die in Den Haag gehouden zullen worden. Mw. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus, Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, zal spreken over het thema; 'Geen dag zonder risico's.' en R. Hofstede,  studentspreker, zal spreken over ; 'Drie maal acht werkt! Leidse studenten en hun kansen op de arbeidsmarkt.’'

Het heeft de aanschijn dat het de bedoeling is dat de landelijke Cleveringalezingen niets met Cleveringa te maken hebben. Ik vind het in ieder geval belangrijk als de naam Cleveringa gebruikt wordt, iets over hem te zeggen en het risico dat hij genomen heeft. Op internet de volgende informatie gevonden, die uit het  Biografisch Woordenboek van Nederland afkomstig is.

:

“De Duitse autoriteiten verstuurden op 23 november 1940 de brieven waarin het joodse personeel van universiteiten en hogescholen het ontslag werd aangezegd. In Leiden zou o.a. professor Meijers door deze maatregel getroffen worden. De juridische faculteit besloot te protesteren, en Cleveringa, die op dat moment decaan was, zag het als zijn taak protest uit te spreken. Op het normale collegeuur van Meijers, van 10-11 uur, op 26 november 1940, formuleerde Cleveringa zijn afkeuring over het ontslag van Meijers. Hij deed dat met grote effectiviteit. Hij las de ontslagbrief 'in zijn kale naaktheid' voor, zonder poging tot nadere verduidelijking. [Hei zei] 'Hun daad kwalificeert zich zelf afdoende.' Daarnaast beschreef hij de betekenis van zijn leermeester Meijers. [...] De rede van Cleveringa was een weloverwogen protest. Hij onthield zich bewust van enige politieke uitspraak, ging niet in op het racistische principe van de ontslagmaatregel en was bovendien bedoeld om onberedeneerde studentenacties te voorkomen. Maar door zijn grootste juxtapositie van zwart en wit was het uiterst effectief. De dag erop staakten de studenten uit protest het collegebezoek en sloot General-Kommissar Wimmer de universiteit. Cleveringa heeft in de oorlog twee keer gevangen gezeten, [de eerste keer] na zijn rede, van 27 november 1940 tot in de zomer van 1941”. [1]

 

Zelf vind ik het interessant in een Cleveringalezing de provocerende vraag te stellen, waarom de opleiding Duits in Leiden een antisemitisch[2] toneelstuk wilde uitvoeren waar de joodse literatuurtheoreticus Walter Benjamin als een impotente parasiet en een nutteloze wetenschapper wordt voorgesteld, waarom een discussie over de uitvoeringsplannen verboden werd en waarom scripties die het toneelstuk analyseerden gecensureerd werden.

 

Prof. A. V. wilde vier jaar geleden met studenten Christoph Heins stuk Passage uitvoeren, een antisemitisch stuk waarin Walter Benjamin in de figuur Dr. Frankfurther bespottelijk gemaakt wordt. (Ter zijde: ik deel Balkenendes en Donners satire-kritiek niet, maar zij hebben in ieder geval gelijk mee, dat niet alle satire in orde is. Een belangrijk propagandamiddel van het antisemitisme was en is satire en karikatuur) . Terug naar de uitvoeringsplannen van Passage: Na protest van studenten werd van een uitvoering van dit stuk afgezien, maar een open discussie over Passage  werd verboden. Prof. A. V. zei dat de studenten niet genoeg levenservaring hadden om het stuk te kunnen beoordelen. Twee scripties die ik over Passage schreef[3] werden zonder wetenschappelijke redenen gecensureerd, en een openbare discussie over het stuk werd geweigerd.

 

Prof. A. V. spreekt vandaag over het thema: “Krabsgewijs op zoek naar wie je bent.” Met het word “krabsgewijs” verwijst A. V., ietsje minder duidelijk dan ik, maar toch ook duidelijk, naar de novelle Im Krebsgang van Günter Grass. Im Krebsgang is voor mij om verschillende

reden een zeer belangrijk boek. Kort samengevat: Im Krebsgang kan o.a. beschouwd worden als één van de belangrijke discussiebijdragen die Günter Grass geschreven heeft in de interliteraire discussie over het antisemitisme en het fascisme van Christoph Hein (de auteur van Passage). Een tweede reden waarom Im Krebsgang belangrijk voor me is, is dat de laatste twee zinnen in dit boek: “Das hört nicht auf. Nie hört das auf.” als motto over mijn doen en schrijven staan. De derde reden waarom Im Krebsgang voor mij belangrijk is, is, dat ik figuurlijk gesproken graag zijwaarts beweeg. Een beweging voorwaarts - een promotie – is voor mij om de een of andere reden zo moeilijk dat ik tot nu toe deze beweging niet heb kunnen maken. Die zijwaartse denkbeweging, die ik maak, is enerzijds een beweging die bij mijn karakter past, en anderzijds ook een gehoorzamen aan het advies van Vincent Icke, die in zijn column Small steps, Ellie,[4] na te lezen in zijn boek De eekhoornformule, het kommando gaf: “Zijwaarts ...mars!”

Ickes columns, en niet alleen Small steps, Ellie  hebben een belangrijke functie gehad voor het verloop van de affaire-Hein in Leiden.

Al in mijn eerste scriptie heb ik in het slotwoord een column van Icke geciteerd. Mijn scriptie, waarmee ik om pure censuurredenen mijn studie niet mocht afsluiten, had de titel: Politische Tendenz und literarische Qualität in Christoph Heins Kammerspiel ‘Passage’. Uit de inleiding:

 

“Im folgenden soll hier gezeigt werden, daß in dem Stück Passage alle inhaltlichen und formalen Elemente in die gleiche Richtung weisen: politisch ermutigt das Stück zu simplem moralistischen Optimismus, formal ist jede Spur moderner Kunst abwesend; inhaltlich wird künstlerische und philosophische Verfeinerung abgelehnt; gefühlsmäßig wird Gebrauch gemacht von antijüdischen Ressentiments und dem Bedürfnis bei der Judenverfolgung den Blick von den Tätern und den gesellschaftlichen Prozessen abzuwenden und auf die Opfer zu lenken.”

 

In het slotwoord van mijn scriptie citeerde ik Ickes column Wat is waarheid. Prof  A. V. had namelijk een discussie over het antisemitisme in Passage ook afgewezen, omdat zij vond dat “de één het stuk antisemitisch vindt en de ander niet”, en dat beide opvattingen gelijkwaardig zijn. Daarmee ben ik het niet eens. Passage is een aantoonbaar antisemitisch stuk.  In mijn slotwoord citeerde ik Icke over het thema feiten en waarheid. Ik schreef:

“An der Universität Leiden wird von einem Naturwissenschaftler ein letzter Anspruch auf Wahrheit verteidigt. Vincent Icke meint in seinem Artikel Wat is waarheid?:

 

Het gaat om de waarheid, om de feiten, en alleen welgestelden die zelf niet voor hun voedsel of onderdak hoeven te zorgen wagen het daarmee te spotten, of er rookgordijnen omheen te weven. Dieren kunnen zich geen sofisterij veroorloven, want de straf op een fout is de dood. Academische haarklovers beseffen dat wel, want zij weten dat hun auto nimmer te repareren is door met een collega van gedachten te wisselen over de hermeneutiek van het luchtfilter. Het ongemakkelijke gevoel dat zij daaraan overhouden masseren zij weg door metselaars, timmerlui en natuurkundigen als een soort bedienend personeel te behandelen ( in Plato’s tijd waren dat dan ook allemaal slaven). Maar het is letterlijk levensgevaarlijk om de waarheid te smoren in spitsvondigheden, en in de tijd dat de soof zegt: “Wat bedoel je precies met ‘leeuw’?” heeft de fysicus zichzelf al in veiligheid gebracht. Zalig zijn de eenvoudigen van geest, want zij dienen als kattevoer. Smakelijk eten, majesteit!’ ”[5]

 

Over het thema waarheid wil ik hier ook nog Francis Bacons Novum Organum citeren, en hiervoor het Bacon-citaat gebruiken, dat Brecht in de mond van zijn figuur Galilei legt:

“Die Wahrheit ist das Kind der Zeit, nicht der Autorität.”[6]

Brechts stuk Leben des Galilei wordt vaak begrepen als Brechts kritiek op Galilei. Brecht zou van Galilei hebben verwacht, dat hij niet had moeten afzweren en net als Giordano Bruno een martelaar voor de wetenschap had moeten worden. Een andere interpretatie  #van Leben des Galilei is ook mogelijk en ligt zelfs meer voor de hand. Brecht ziet Galilei als een moderne wetenschapper, die weigert de held te spelen, juist omdat hij weet en erop vertrouwt dat de waarheid de tijd aan haar kant heeft. In dat opzicht is Galilei een belangrijke vernieuwer tegenover zijn voorganger Giordano Bruno. Vincent Icke schrijft vaak over Galilei, en naar mijn mening ligt zijn visie op Galilei zeer dicht bij de visie op Galilei die Brecht had: voor Icke is Galilei een man die het terecht niet voor nodig bevond zichzelf voor de wetenschap op te offeren. Galilei is vor Icke een meester in het waarnemen[7] en bij Brecht is juist de nieuwe, veranderde, vervreemde waarneming in kunst en wetenschap het belangrijkste thema in Leben des Galilei.

 

Ook in de Small steps/ Zijwaarts ..mars –column keert Icke zich tegen een vals heroïsme. Hij schrijft over het vermeend heroïsche verleggen van grenzen in de wetenschap:

“Het voornaamste probleem is, dat vrijwel iedereen het verkeerde beeld heeft van het verleggen van wetenschappelijke grenzen. Het is geen kwestie van het overschrijden van een scherpe afbakening, zoals een barricade of een loopgraaf. Het grensgebied tussen weten en niet-weten is een grillig niemandsland van vermoedens, vol mist, mijnen en moordenaars. Soms vind je een vooruitgeschoven post, bemand door een paar van je kameraden; elders is er een vernietigd door sluipschutters.

De grens verleg je niet door een heldhaftige parachutesprong ver achter de linies, en zeker niet door een massale aanval over een breed front.”

 

Deze Small steps/ Zijwaarts ..mars –column verscheen eind oktober 2000. Deze oktober was een van de dramatische hoogtepunten van de affaire-Hein in Leiden. In oktober 2000 had ik verscheidene pamfletten met uittreksels uit mijn afgewezen scriptie aan de universiteit verdeeld, en, nadat ik gezien had dat Günter Grass in Ein weites Feld Christoph Hein o.a. als een reïncarnatie van de antisemitische Hofprediger Adolf Stoecker ziet, een pamflet gemaakt met de tekst “Kampf dem antisemitischen, antidemokratischen Hofprediger Christoph Hein und seinen Anhängern bei der Fachgruppe Deutsch!” De reacties bij de opleiding Duits waren panisch. Men stuurde een oudere medestudente onaangemeld naar mijn huis. Deze studente had de opdracht mij met allerhande dingen te dreigen, o.a. mij te vertellen dat ik mijn gezin kapot maakte.  Dezelfde studente begon daarna, net als mevrouw A. V., aan de universiteit te vertellen dat ik geestelijk ziek was geworden, dat ik schizofreen was.

Ook de faculteitsleiding werd actief: decaan Blokmans en de toenmalige opleidingsdirecteur en huidige decaan Letteren van Haaften nodigden me uit voor een gesprek. Men maakte me complimenten over mijn behaalde resultaten en luisterde lang naar mijn gedetailleerd verhaal over de gebeurtenissen bij Duits betreffende Passage. Ik had het sterke gevoel dat men me helemaal begreep. Men was ervan overtuigd dat het stuk Passage niet in orde was. Maar de doelstelling van de faculteitsleiding was niet een discussie over Passage toe te laten. De doelstelling was, mij over te halen, een nieuwe scriptie te schrijven, ook al was de eerste scriptie over Hein wetenschappelijk gezien in orde. En  men wilde dat ik beloofde geen pamfletten meer te verspreiden. Ik had geen behoefte door te gaan met protesten, ik beloofde graag geen pamfletten meer te verspreiden en een nieuwe scriptie te schrijven. Prof. van Haaften zei nadrukkelijk tegen me : “Natúurlijk moet u na uw studie doorgaan met onderzoek over Christoph Hein!” Daarover was ik het helemaal met hem eens. Alleen: ook de tweede scriptie die ik schreef werd gecensureerd vanwege mijn opmerkingen over Christoph Hein in het nieuwe slothoofdstuk. Toen ik vanwege deze tweede censuur in Leiden niet wilde afstuderen, haalde prof. van Haaften mij persoonlijk over het slotwoord van de tweede scriptie weg te halen en toch af te studeren.

 

Ik ben akkoord gegaan met deze tweede censuur. Ik heb niet de held gespeeld in Leiden. Ik wilde graag op compromissen ingaan. Maar ik werd op een manier behandeld die aangepast en tegelijkertijd ook integer gedrag onmogelijk heeft gemaakt.   

Ik ben financieel onafhankelijk en daarom heb ik een grote vrijheid. Ik wilde graag van mijn vrijheid gebruik maken en ik voelde me ook verplicht van mijn grote vrijheid gebruik te maken. De represailles van de opleiding hebben mij niet echt geraakt. Toen ik hoorde dat men mij schizofreen noemde of toen mevrouw A. V. later valse aangifte bij de politie deed tegen mij, beschouwde ik dit niet als dreiging, maar als een zwakteteken van mijn tegenspelers en zag ik in alles vooral wetenschappelijk en literair interessant materiaal. De dreigingen van de universiteit hebben mij niet kunnen raken, omdat ik in Leiden niet alleen stond.

Lion Feuchtwangers roman Exil is geschreven in aandenken aan Walter Benjamin en behandelt ook het thema “opoffering”. Sepp Trautwein, een joodse Parijse exilant zet zich in voor de verdwenen Friedrich Benjamin. Ik citeer:

“[...] der Kampf um Friedrich Benjamin schien ihm [Trautwein] eine wichtigere Sache als die meisten anderen Manifestationen gegen das Dritte Reich. Selbst in dieser verlumpten Welt mußte es möglich sein, daß der solidarische Wille zur Gesittung und zur Vernunft die Barbarei besiegte. Das zu demonstrieren, war ein Ziel, für das kein Opfer zu groß war, auch nicht die Preisgabe seiner Musik.”[8]

 

Net als Sepp Trautwein vatte ik de zaak-Hein ook op als een parabel, als een gelijkenis, en ook ik wilde iets bewijzen en wilde solidair zijn. Vincent Icke zegt:

“Aan zakelijke concurrentie hebben in wezen idealistische instellingen zoals Universiteiten helemaal niets. Wat zij, en onze maatschappij broodnodig hebben, is solidariteit.”[9]

Solidariteit is belangrijk voor me, maar anders als Trautwein wilde ik nooit alles opofferen, dat was ook nooit van me gevraagd. Wij leven niet in een dictatuur. Ik heb daarom ook de muziek niet moeten prijsgegeven, andersom - mijn kleine dagelijkse concertjes voor de vakgroep werden zelfs aangemoedigd door de beveilingsdienst (“Ook al zou u trompet spelen, vinden we het prima!”) en ook de politie zei tegen mij dat men niet zo ver wilde gaan mijn concertjes te verbieden.

 

Wat al die jaren wel moeilijk is geweest, zijn twee dingen: mijn omgeving heeft vaak niet begrepen waar ik met bezig ben en was het niet eens met mij wat mijn acties in Leiden betrof. Nog moeilijker was dat ik me verplicht voelde te promoveren met de hele zaak Hein, terwijl ik gevoelsmatig liever zijwaarts ...mars Im Krebsgang wilde gaan en schrijven dan promoveren.

Het is wel komisch en typisch tegelijk dat oud-decaan Letteren Blockmans, decaan Letteren van Haaften en de ondertekenaar van het huisverbod voor mij, Loek Vredevoogd, in de tijd dat ik niet wilde of niet kon promoveren allemaal wel gepromoveerd zijn. De einige bij de affaire-Hein betrokkene universiteitsrepresentant die inmiddels niet gepromoveerd is, is de rector magnificus Breimer.

 

Ik ben Im Krebsgang op zoek naar wie ik ben. Dat ik überhaupt Im Krebsgang ga zegt al wie ik ben: een nar. Sebastian Brant heeft in zijn beroemd Narrenschiff verschillende types van narren beschreven, en daarbij ook de nar Im Krebsgang beschreven[10]. In de middeleeuwen werd een verschil gemaakt tussen natuurlijke narren (gehandicapten) en speelse narren. Ik denk dat ik zowel het één als ook het ander ben. Ik ben niet schizofreen maar wel gek. Het is namelijk zo, dat zeer veel van de merkwaardige en gekke dingen die om me heen gebeuren helemaal niet van mij gepland zijn, in tegendeel: juist als ik probeer serieus en braaf te zijn, ontaard meestal alles in een groteske. Dat alles in een groteske ontaard al probeer je nog zo zeer je best te doen, dat hebben Sebastian Brant, Hieronimus Bosch en Martin Luther als de onvermijdbaar zondige natuur van het aardse bestaan beschreven.

 

Ik ben een nar en dus een zowel natuurlijke als ook speelse theatermaker. Ik ben bovendien, wat de universiteit betreft, een randgeval: ik heb tijdens de affaire-Hein nooit enige twijfel gehad aan mijn wetenschappelijke kwaliteiten. Ook mijn vijanden hebben mijn wetenschappelijke kwalificatie niet ter discussie gesteld. Daarom, en omdat ik met de Universiteit Leiden verbonden ben, hoor ik bij deze universiteit. Maar aan de andere kant is het een feit dat ik een streng huisverbod heb, dat van heldhaftige conciërges dagelijks verdedigd wordt, en ik dus in een politiecel beland als ik probeer de universiteit binnen te stappen. Voor de toekomst zijn er twee mogelijkheden: of ik promoveer of ik promoveer niet. Mijn vrienden willen graag dat ik promoveer, maar ze genieten ook van mijn acties en van mijn schrijven. Ze willen het niet openlijk voor me opnemen, maar ze hebben met succes van het huisverbod een farce gemaakt. Promoveren of niet promoveren: zolang ik vrienden in Leiden heb blijf ik hoe dan ook met de Universiteit Leiden verbonden als onafhankelijke wetenschapper en als plaaggeest, als uithollende druppel en ongewenste satirica.

 

Ik ben een randgeval en voor de universiteitsbureaucratie ben ik: een tegenvaller.

 

Tegengevallen

is me de meevaller

en vallend

verpletter ik

tegenvaller alles

niet op m’n bek

gevallen

 

 

 

Opmerking vier jaar later:

Leuk met het gedachte aan mijn “alternatieve Cleveringa-lezingen”: Ik doe nu onderzoek in samenwerking met de oud-Cleveringa-hoogleraar prof.dr. Nasr Abu Zayd, met een proefschrift over de Burke Stichting en het Nederlandse neoconservatisme. Ook in dit proefschrift komt het antisemitisme/ anti-islamisme bij de opleiding Duits in Leiden uitvoerig ter sprake, omdat de promovendus bij Anthonya Visser, Jerker Spits, de nazi en antisemiet Carl Schmitt verheerlijkt. Zie www.passagenproject.com/conservatisme.html

 



[1] http://www.inghist.nl/Nieuws/Tips/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn3/cleveringa?MenuSize=L; Bronvermelding: W. Otterspeer, 'Cleveringa, Rudolph Pabus (1894-1980)', in Biografisch Woordenboek van Nederland.

[2] [Uitvoerige analyses van het antisemitische karakter van Passage zijn te lezen op

http://www.passagenproject.com/parodie.html

http://www.passagenproject.com/karikatur.html

http://www.passagenproject.com/weitesfeld.html

 

[3] De tekst van de eerste scriptie: http://www.passagenproject/scriptie.htm

 

 

 

[4] In: De eekhoornformule, p. 166.

[5] In: De eekhoornformule, p. 145 f.

[6] Leben des Galilei, Szene 4.

[7] Wilde kastanjes, NRC 27. 9.2003.

[8] Exil, S. 467.

[9] Concurrentie, In: De eekhoornformule, p. 66.

[10] http://www.paulcelan.de/brant/brant_frameset.htm