Voor de achtergrond: zie www.passagenproject.com
En
www.passagenproject.com/proces.html
Het verhoor op 10 mei 2005 met mevrouw Clarije Groffen
1. De vragen die ik schriftelijk had voorbereid voor de
rechter-commissaris, deze vragen zijn nu ook opgenomen bij de stukken:
Opmerking: mevrouw Groffen werkt volgens een advertentie op
internet samen met mevrouw Visser in een bedrijfje dat
reizen naar Duitsland organiseert. Zij heeft er derhalve
mogelijk belang bij geen uitspraken ten ongunste van
Mevr. V. te doen en ik vraag derhalve dringend haar te
beëdigen. Ik vraag ook een woordelijk verslag op te maken van dit verhoor. [
opmerking M.T: : noch het éen
noch het ander is gebeurd. Als de zaak in hoger beroep gaat, zal mevr. Groffen
alsnog ONDER EDE en in een openbaar KRUISVERHOOR
gehoord worden...]
Eind jaren negentig was ik goed bevriend met mevr. Groffen,
en we hebben samen in de eerste twee studiejaren (96/97) samen veel les gehad
bij de heer Onderdelinden.
Vraag (1): Hoe zou mevr. Groffen de relatie tussen
de heer O. en mij in de eerste twee studiejaren (1996/97) omschrijven?
Vraag (2): Herinnert mevr. G. zich dat de heer O.
bij een bezoek van de toenmalige Leidse rector Wagenaar
tijdens een college (in februari 1997) tegenover Wagenaar
mijn naam noemde en uitdrukkelijk zei dat het jammer was dat ik niet aanwezig was ? (Zoals mevr. G. later aan mij verteld heeft).
Vraag; (3) Is het al dan niet een feit dat ik sinds
het jaar 2000 geen contact meer heb met mevr. Groffen, behalve het gesprek dat
plaatsvond in maart 2001?
[Ik was in Leiden en had net mijn tweede
scriptie (Brecht/Dürrenmatt) afgegeven. Ik weet met zeer
grote (maar niet absolute) zekerheid dat ik haar op dinsdag 13 maart 2001 heb
gesproken; niet eerder dan 11.00 en niet later dan 14.00. Ik meen me te
herinneren dat zij zei net uit een college van dr. Jacobs (bij Duits) gekomen
te zijn. ]
Vraag (3) Wat werd gezegd bij het gesprek tussen
Mevr. G. en mij dat in maart 2001 onder de hier beschreven omstandigheden
plaatsvond?
[Ik zag mevrouw G. bij het station, maar ik
sprak haar niet aan, omdat ik wist, dat zij samenwerkte met mevr. Visser en ik
haar niet bij het hoog oplopende conflict wilde betrekken. Maar
zij kwam op mij toe, sprak me aan en wilde koffie drinken met mij. Ik
mag mevr. Groffen heel graag, en ik was zeer blij.]
Is het al dan niet een feit,
- dat ik mevr. G. vertelde over de perikelen rond mijn
scripties, maar zij hiervan al op de hoogte was. (4). (hoe kwam dat?).
- dat mevr. G. zei,
dat veel studenten het geheel oneens waren met de censuur van mijn eerste
scriptie over Hein; (www.passagenproject.om/scriptie.html
) zij noemde daarbij ook de ons beiden met name
bekende student /AIO Jerker Spits. (5)
Is het al dan niet een feit, dat mevr. Groffen zei, dat ik
door prof. Visser ziek werd genoemd en “een heks” (6)
[ dit is me zo goed bij gebleven, omdat ik juist het woord “heks” alleen van
mevr. Groffen had gehoord], en dat mevr. Visser zei, dat ik “alles kapot maak”.
(7) [Mevr. G. schudde
daarbij heftig haar hoofd, kromp ineen, en keek van mij weg; ik had het gevoel
dat deze zaak zeer pijnlijk voor haar was].
Is het al dan niet een feit, dat mevr. Groffen zei, dat
mevr. Visser zeer veel van Christoph Hein hield. (8)
Is het al dan niet een feit, dat mevr. Groffen zich
kritisch uitliet over de toestand bij de opleiding, en zei, dat zijzelf en
Jerker Spits erover hadden gesproken een eigen opleiding of centrum voor Duits
te beginnen (9).
Is het al dan niet een feit, dat mevr. G. vertelde dat zij
de toenmalige hoogleraar Duits prof. Lange had geconfronteerd met problemen bij
de opleiding; zij vertelde dat zij bij hem bezwaar had gemaakt tegen het feit
dat veel colleges te makkelijk waren, en dat de
studenten hun studiepunten veel te makkelijk konden verkrijgen. (10)
Is het al dan niet een feit, dat mevr. G. verslag deed over
een nieuwe werkwijze in het seminarium bij dr. Jacobs, dat namelijk de
werkstukken al tijdens het seminarium interactief geschreven werden; iets
waarover mevr. G. zeer tevreden was (11).
Is het al dan niet een feit, dat mevr. G. in dit gesprek
met mij ook verschillende details over het leven van mevr. Visser vertelde,
bijvoorbeeld over Vissers echtscheiding en verhuizing. (12)
Vraag 13: A. Heeft mevr. G. met dhr. Onderdelinden
over mij en/of de
zaak-Hein gesproken? [ ik dacht dat ik haar in dr. O.s kamer zag in gesprek met hem
in mei of juni 2004]? B. En wat was de inhoud van dit gesprek? C. Kan zij bevestigen, dat de heer O. zijn raam maximaal en
opvallend wijd geopend had, terwijl ik – op 50 meter afstand van zijn raam-
fluit speelde?
Vraag 14: A. Wist mevr. G. dat ik op mijn
internetpagina haar naam noemde als referentie? B. Zo ja, waarom heeft zij er
niet bij mij tegen geprotesteerd?
Vraag 15: Waarom heeft mevr. G. in januari mijn
aangetekende brief aan haar geweigerd?
Vraag 16: [In november 2004 heeft een studente, geprobeerd de feiten rond de
affaire- Hein op een rijtje te zetten, en wilde met studenten en docenten bij
Duits hierover spreken.
Iedereen weigerde het gesprek met deze studente, behalve Birte Hackenholtz en Uta Schmidt.] A. Heeft deze
studente toen ook contact met mevr. G. opgenomen? B. Heeft mevr. G. het gesprek
met deze studente geweigerd, en waarom?
2. Afschrift van het verhoor met Clarije Groffen, 10 mei 2005
Getuige verklaart:
Op de vragen van de verdachte mevrouw Trepp antwoord ik als volgt:
Op resterende vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:
Reactie van Maria Trepp op
het verhoor met mevr. Groffen op 10 mei 2005, opgestuurd aan de R-C op 30 september 2005, en inmiddels
bij de stukken gevoegd ( in een iets kortere versie):
Vraag 3: Mevrouw Groffen zegt dat we privé niet met elkaar hebben
afgesproken. Dit is maar ten dele waar. We hebben
samen bezoeken gebracht aan het Goethe-Instititut in
Rotterdam en in Amsterdam. Ik heb mw. Groffen, toen zij in Duitsland studeerde,
bij haar gastgezin bezocht. Dit bezoek bracht ik aan haar persoonlijk; ik was
toen niet voor en andere zaak in Duitsland.
Vraag 6 en 7: Mevrouw Groffen wil dus niet ontkennen dat Visser
mij een heks en ziek heeft genoemd. Zij maakt ook geen opmerking, dat zij zich
en dergelijke opmerking van prof. Visser niet kan voorstellen.
Vraag 14: Mevrouw Groffen geeft toe dat zij wist dat ik haar op mijn
internetpagina als referentie noem, en dat zij daar niets tegen heeft
ondernomen. Mevrouw Groffen geeft geen uitleg, waarom zij zo zeker weet dat ik
– in haar eigen woorden ooit haar “geestgelijke”- onzin vertel. Ze zegt zelf dat zij van
mijn argumentatie geen kennis heeft genomen. Ze geeft geen uitleg waarom zij
een oude vriendin zo slecht behandelt en deze oude vriendin niet eens een
kritisch afscheidsgesprek waard vond. Ik vind het ongelofelijk dat mevrouw
Groffen mijn persoonlijke e-mails heeft doorgestuurd aan de Faculteit Letteren,
zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Ik kan alleen zeggen dat ik zelf zoiets
nooit, maar ook nooit, met mijn oude kennissen of met wie dan ook zou doen. Er is
zelfs een officiële richtlijn aan de Universiteit Leiden, opgesteld door de
ombudsman, die dit soort gedrag ( het ongevraagd doorsturen van mails)
verbiedt. De Faculteit Letteren heeft zich van deze richtlijn niets
aangetrokken. Ik begrijp niet waarom niemand, ook mijn oude vriendin mevrouw
Groffen niet, mij heeft gevraagd geen mails te sturen en /of mij heeft laten
weten dat men mijn mails doorstuurt. In hoger beroep zullen hierover zeer
kritische vragen aan mevrouw Groffen gesteld worden.
Vraag 16: Ik wil nog opmerken, dat mevr. Groffen in het verhoor zeer
boos en opgewonden op deze vraag reageerde, en mij persoonlijk aanviel: “JIJ
hebt hiermee niets te maken...enz.” . Dit was blijkbaar een zeer gevoelige zaak
voor mevrouw Groffen.
De studente Wijsbegeerte D.K., die in november 2004 docenten en studenten van Duits
wilde spreken, om de feiten rond de censuuraffaire-Passage als een onafhankelijke student
op een rij te zetten, heeft geen gelegenheid voor gesprekken gekregen. Zij
vertelde aan mij, dat reeds gemaakte afspraken
allemaal plotseling weer werden afgezegd en dat zij, D.K.,
toen het gevoel had dat het bestuur de medewerkers en studenten van Duits het
gesprek met haar had verboden. In hoger beroep zal dit allemaal moeten worden
uitgezocht. Het communicatie-verbod van de Faculteit
Letteren goldt dus niet alleen ten aanzien van
mijn persoon, maar ook ten aanzien van allen die helderheid in de
affaire-'Passage' willen brengen.
Tenslotte wil ook nog een verklaring naar voren brengen, waarom
mevrouw Groffen in maart 2001 een lang vertrouwelijk gesprek met mij heeft
gevoerd, en daarna elk contact met mij heeft vermeden. Ten tijde van het
gesprek waren mw. Groffen en ik er allebei vast van overtuigd dat het Leidse bestuur mij steunt. Tenslotte had het bestuur meerdere keren geïntervenieerd, en
wilde men per se – ondanks mijn protest, en ondanks
mijn afficheringacties-, dat ik in Leiden zou afstuderen. Zowel mevrouw Groffen
als ook ikzelf verwachtten, dat het bestuur met een
compromisvoorstel zou komen, b.v. dat ik een proefschrift over een ander thema
zou schrijven, of dat men mij naar een andere vakgroep zou verwijzen. Dat men mij, zodra ik
afgestudeerd was, ijskoud zou laten vallen, dat konden we toen allebei niet
weten.
Wat mijn fluitspel voor het raam
van de heer Onderdelinden aangaat, verwijs ik naar mijn aangetekende brief aan
de politie Leiden Zuid www.passagenproject.com/politie.html
, waar ik heb vast gehouden dat twee agenten tegen mij hebben gezegd dat
de heer Onderdelinden tegen hen had gezegd dat hij zeer van mijn fluitspel
geniet, Ik heb in deze aangetekende brief aan de politie (in januari 2003)
aangekondigd daarom door te gaan met mijn fluitspel.
Voor het opvallend wijd geopende
raam van de heer O. tijdens mijn fluitconcertjes heb ik bovendien ook nog een
getuige, een getuige trouwens, die de heer O. zelf in zijn aangifte heeft
genoemd als iemand die hij vanuit zijn raam had gezien......