De Leidse achterban van Geert Wilders

Of: De Edmund Burke Stichting en de Universiteit Leiden


Maria Trepp


Versie 7 juni 2008


Voor een betere leesbaarheid van dit bestandje: download de pdf.versie

www.passagenproject.com/conservatisme.pdf



Een korte versie van dit bestandje is te vinden onder www.passagenproject.com/burkeprofessoren.html

English version www.passagenproject.com/neoconservatism.html


Een beter opgemaakte en beknopte tekst over de Burke Stichting heeft Frans Gieles van de Stichting Tegenwicht samengesteld, en hierbij ook gebruik gemaakt van mijn teksten.



zie ook mijn weblog voor actuele thema’s ( via mijn weblog kan men mij ook mailen)


zie www.passagenproject.com/literatuur.html voor de literatuurlijst



De Leidse achterban van Geert Wilders 1

Inleiding 3

Leidse wetenschappers 7

Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie in Leiden 7

Afshin Ellian, hoogleraar Sociale cohesie in Leiden 7

7

Paul Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap in Leiden 7

De Leidse germanist Jerker Spits 7

Bart Jan Spruyt 8

In de achtergrond : prof.dr. Bolkestein 9

1. De Edmund Burke Stichting 9

1.1. Het clubje van Bolkestein: conservatisme en liberalisme 9

1.2. Van Bolkestein naar Wilders 24

1.2.1.Bernard Lewis en Samuel Huntington 30

Lewis' response 30

1.2.2 De mythe van het islamitisch gevaar 37

1.2.3. Turkije 39

1.2. Amerikaanse vrienden 44

2. De filosofische achtergrond van de Edmund Burke Stichting 50

2.1. De Burke Stichting en Edmund Burke: traditioneel versus radicaal conservatisme 50

2.1.1. Overeenkomsten tussen het gedachtegoed van Burke en de Burke Stichting 50

2.1.2. Verschillen tussen het gedachtegoed van Edmund Burke en de Burke Stichting 53

2.2. De Burkiaanse veiligheidsutopie 62

2.3. De Burkianen en het nazisme/fascisme 72

2.3.1. De Burke Stichting en Carl Schmitt 72

2.3.2. De analogie tussen toen en nu 80

2.3.3. Onverzoenlijke polarisatie 89

2.4. Tussen idealisme en “nieuw-realisme” 102

2.4.1. Leo Strauss 102

2.4.2.De Burkiaanse Plato-kult; Poppers Plato-kritiek 105

2.4.3. Het “nieuw-realisme” 109

2.5. Fortuyn, Burke Stichting en Wilders 110

2.5.1. Rechtsopulisme en neoconservatisme 118

2.6. Het superieure Westen en de botsing der beschavingen 118

2.6.1. De Europese traditie van het anti-islamisme 118

2.6.2. Huntington en zijn adepten 119

2.7. Het verlichtingsfundamentalisme 133

2.7.1. De liberale jihad: shortcut knip-en-plak verlichting 137

2.7.2. De maakbaarheid van de mens- halfhartige Verlichtingskritiek bij Kinneging en Spruyt 145

2.7.3. In de voetstappen van Voltaire 148

2.7.4. De kritische Verlichtingstraditie 155

2.7.5. Verlichting en pragmatisme 158

2.7.6. Verlichting en vrijzinnigheid 160

2.7.7. Abstract seculier humanisme 163

2.7.8. Nationaliteit, identiteit, assimilatie 165

2.7.9. Pluralisme 169

2.8. De Heilige Alliantie Tegen De Decadentie 170

2.8.1. De Burkiaanse decadentie- en nihilisme-kritiek 170

2.8.2. Decadentie- en nihilisme-kritiek in de 20ste eeuw: conservatisme, fascisme, communisme 174

2.8.3. De duivelse jaren ’60 174

2.8.4. Postmoderne moraliteit 176

2. 9. Het nieuwe chauvinisme: de “beschaafden” versus de barbaren 177

2.10. De conservatieve depolitisering: afwending van de verzorgingsstaat 180

2.11. Het cynisme van Goed en Kwaad 185

2.12. Naar en anti-dogmatische religiekritiek 189






Inleiding


Deze tekst is een uitgebreide, maar vooralsnog fragmentarische documentatie over de Edmund Burke Stichting. Ik bewerk deze documentatie tot een (Engelstalig) proefschrift.


Dit onderzoek- of betoog- is is uitdrukkelijk en uitgesproken kritisch.1 Mijn standpunt/perspectief is misschien het beste als links-liberaal te omschrijven, al worden door mij ook enkele CDA’ers en een paar VVD’ers met instemming aangehaald.

Dit bestandje kan beschouwd worden als een materiaalverzameling voor mijn Engelstalig proefschrift en als een polemisch-politiek schotschrift, dat naast mijn wetenschappelijk onderzoek zal blijven bestaan en groeien.


Ik sluit me aan bij prof. Annemarie Mol (hoogleraar Twente), die in het Filosofisch Elftal van Trouw Kinneging, Cliteur en Ellian uitstekend van repliek heeft gediend (zie het boekje met dezelfde titel), en die zegt:

Objectiviteit veronderstelt een positie boven de partijen. Die positie weiger ik. Filosoofkoningen in de traditie van Plato verordonneren en dicteren. Ik wil liever inspireren, andere gezichtspunten aandragen.”2


Richard Rorty beschrijft in Solidariteit of objectiviteit een wetenschappelijk pragmatische houding, die ook de mijne is:

Het gaat [de pragmatici] […] [erom], dat wij het traditionele onderscheid tussen kennis en opinie moeten laten vallen, voor zover dat althans wordt uitgelegd als een onderscheid tussen waarheid als overeenstemming met de werkelijkheid en waarheid als aanbeveling voor voldoende gerechtvaardigde overtuigingen. […] [De pragmaticus] waardeert coöperatief menselijk onderzoek. “


Deze documentatie wordt geschreven in coöperatie en interactie met anderen.

Behalve een beschrijving van en een kritiek op de Burke Stichting en de rechtspopulistische Leidse intellectuelen is deze tekst óók een verslag – in feite een culturele hypertekst- van de brede intellectuele weerstand tegen de “conservatieve revolutie” in Nederland aan het begin van de 21ste eeuw.


De kwestie van objectiviteit en wetenschap werd ook actueel in het debat over het WRR-rapport over de islam, waarbij Afshin Ellian, in het voetspoor van Wilders, het rapport als “charlatanerie” afwees.

Baukje Prins, de auteur van het belangrijke boek over het integratiedebat Voorbij de onschuld (2000/2004) schrijft over de kwestie van objectiviteit, en ik sluit mij ook bij haar aan:

Ik wil in dit boek […] de stelling verdedigen dat elke wetenschappelijke bewering, hoe objectief ook, een bepaalde (moreel-politieke) partijdigheid impliceert. De ivoren toren van de wetenschap bestaat helemaal niet, ook het meest neutrale of ‘fundamentele’ onderzoek is door allerlei lijntjes verbonden met de alledaagse werkelijkheid van belangen, waarden, ambities en machtsverhoudingen, van materiële en niet-materiële obstakels en prikkels. En ook aan die partijdigheid mankeert volgens mij niets. De kritische vraag aan de wetenschap wat betreft har aanspraken op ‘de werkelijkheid’, is volgens mij dan ook niet zozeer: in hoeverre is wetenschappelijke kennis bevooroordeeld? Maar: welke vooringenomenheid is ‘beter’? Welke partijdigheid levert kennis op die maatschappelijk van nut kan zijn, en welke heeft een negatieve uitwerking? De kennistheoretische vraag naar de ‘objectieve’, ‘juiste’ weergave van de werkelijkheid maakt dan plaats voor de moreel-politieke vraag naar de (maatschappelijke) effecten van verschillende (re)constructies van de werkelijkheid. “3


Bas Heijne:

[Het gereanimeerde conservatisme], als het uitgedragen wordt door de Edmund Burke Stichting, lijkt alleen nog goed te gedijen aan de universiteit van Leiden, een instituut, waar men wel vaker de mode van gisteren voor zinvolle traditie aanziet.”4


Op 1 juli 2005 sprak prof. Kees Schuyt in de Pieterskerk in Leiden over het thema: ‘Waar bleef Tijl en de rebelse tijd?’. Hij keerde zich tegen een simpele veroordeling van de jaren ’60 door Leidse hoogleraren5 en eindigde met de woorden:


Telkens opnieuw verzet aantekenen

Nieuwe rebelse tijden ontketenen!”6


In zijn Leidse Cleveringa-oratie Democratische deugden keert zich Kees Schuyt tegen het vijand-denken van de Burke Stichting en de neoconservatieven. Mijn onderzoek ligt in het verlengde van hetgeen Kees Schuyt in de Pieterskerk en in zijn Leidse oratie zei, en hetgeen hij schreef in zijn columns en boeken zoals bijvoorbeeld in Steunberen van de samenleving (2006).


Afshin Ellian schrijft zijn column Het einde van de allochtoon:

De multiculturalisten zijn wanhopig op zoek naar een onbewaakt ogenblik om in opstand te komen. Misschien hebben ze een Lenin nodig, legendarische leider van de staatsgreep van een minderheid die zich valselijk voordeed as meerderheid. Gelukkig missen onze multiculturalisten de gaven van deze geweldenaar. Het gemor van deze bedreigde dieren is en oorverdovende klaagzang over het gevaar van integratie en burgerschap.

De gelegenheidscoalitie van de multiculturalisten is kleurrijk. Zij omvat sektarische sociaal-democraten, postmodernisten, antropologen, allochtonologen, de wetenschappelijke staf van de multiculturele onderzoeksindustrie, islamitische stafleden van GroenLinks en de PvdA, en ten slotte werkloze hulpverleners. Ze schreeuwen moord en brand. Hun allochtonen, hun tolerante samenleving, hun tolerante geschiedenis worden met de uitroeiing bedreigd.”7

Ellian geeft de samenstelling en het karakter van de rebelse beweging goed weer, op drie punten na:

De multiculturalisten hebben geen Lenin nodig, maar een speelse Don Quichote (vergeet niet dat Don Quichote ook belangrijke overwinningen behaalt). En: de multiculturalisten voeren geen klaagzang over het gevaar van integratie en burgerschap, maar over het gevaar van stigmatisering en polarisering. En: onder de rebellen bevinden zich wetenschappers van alle richtingen, de groep is groter en wijder dan Ellian denkt.

Dick Pels had in januari 2004 in Leiden met een progressief manifest8 geantwoord op het conservatief manifest van de Burke Stichting. Het Passage(n)-project, mijn activiteiten en mijn onderzoek liggen in het verlengde van de door Schuyt en Ellian geschetste rebellie en van het progressief manifest.


In 2004 en 2005 werden bij de Leidse Rechtenfaculteit drie nieuwe hoogleraren benoemd, die alle drie direct of indirect bij de neoconservatieve Burke Stichting betrokken zijn en/of tot kort geleden waren: prof. Kinneging, prof. Cliteur en prof. Ellian. De concentratie van Burkianen in Leiden is natuurlijk geen toeval. Afshin Ellian werd, zoals hij in zijn oratie zelf zegt, door Paul Cliteur naar Leiden gehaald.9


De Universiteit Leiden heeft ook bij de opening van het nieuwe Rechtengebouw in september 2004 blijk gegeven van een sterke neoconservatieve bias, door de omstreden Amerikaanse rechter Antonin Scalia uit te nodigen voor een toesprak (ik stond er toen met mijn dwars(!)-fluit te protesteren). Natuurlijk heeft Scalia het recht om overal op te treden en te spreken, maar er was in Leiden na zijn toesprak geen gelegenheid voor debat; zodoende was de uitnodiging aan hem een pure adhesiebetuiging.



Is de neoconservatieve bias in Leiden dan een probleem?

Maarten Huygen:

Is de ideologische samenstelling van dit hooggeleerde gezelschap dat in Leiden over filosofische en ideologische grondslagen van recht en staat nadenkt niet eenzijdig?” Kinneging: "Vrijwel alle universiteiten, hogescholen en ook media worden gedomineerd door links. Dat geldt ook voor de departementen en de staf van overheidsadviesorganen zoals de WRR. De publieke sector wordt gedomineerd door het linkse circuit. Linkse circuits benoemen elkaar. Er is een groot gebrek aan pluriformiteit. Hier zijn eindelijk eens een paar mensen aangenomen met andere opvattingen. Het is dan een gotspe om te zeggen 'is het niet een beetje veel'"10

De Leidse rechtsfilosoof Labuschagne ( zelf spreker bij de Burke Stichting en volgens Bart Jan Spruyt maatje met Kinneging, Cliteur en hem zelf) zegt:“Het wekt inderdaad de indruk alsof het hier een bijkantoor is van de Burke Stichting.[…] Niet iedereen is daar gelukkig mee.”11

Ellian ziet er wél een groot probleem in het feit dat de Leidse Rechtenfaculteit beschouwd wordt als een bijkantoor van de Burke Stichting. Hij ontkent iets met de Burke Stichting te maken te hebben12 - wat merkwaardig is, gezien het feit dat hhij eredonateur is van de Burke Stichting, en al meer dan een jaar lang samen met Bart Jan Spruyt afgebeeld staat op de site van de Burke Stichting.

Gezien het “schaduw-universiteits”-karakter van de Burke Stichting, en gezien het feit dat de stichting vooral Leidse studenten rekruteert voor haar cursussen is het niet geheel trivaal en is het niet echt vanzelfsprekend dat de Universiteit Leiden een onderdak biedt aan een bijkantoor van de Burke Stichting….


Nog paar opmerkingen vooraf:

- met Paul Cliteur ben ik eerder in debat gegaan, en ook met prof. Kinneging en met prof. Ellian zou ik heel graag in debat gaan, als deze mij daartoe een gelegenheid geven. De volgende samenstelling kan beschouwd worden als mijn voorbereiding op een toekomstig confronterend debat.

- ik keer me niet tegen het conservatisme, ik ben zelf ook redelijk conservatief. Ik keer me tegen het revolutionaire conservatisme, het neoconservatisme alsmede het rechtspopulisme van de Burke Stichting.

- het gaat me er zeker niet om dat een of meerdere van de genoemde personen uit hun ambt moeten worden gezet. Ik vind het belangrijk de politieke machtstructuren kritisch te bekijken en ik zoek debat en gesprek. Ik wil niet meer en niet minder dan – samen met anderen- een tegenwicht vormen tegen de rechtse opiniemakers in Leiden. Anders dan de Burkianen ben ik geen aanhanger van de naziefilosoof Carl Schmitt, die de wereld graag scherp in vriend en vijand wil verdelen.

- ik beweer niet dat alles wat de Burkianen zeggen onzin is. Ik beweer alleen dat zij op een bedenkelijke manier complexe kwesties reduceren tot rechtspopulisme.

- ik beweer ook niet dat de Burkianen op alle punten exact hetzelfde zeggen of willen. Er zijn zeker op veel punten belangrijke verschillen te vinden. Maar op nog veel meer gebieden zijn er belangrijke overeenkomsten, en deze probeer ik te beschrijven.

- weinig van hetgeen ik schrijf is origineel of nieuw. Voor mij geldt wat ook Burke voorzitter Kinneging over zijn eigen schrijven zegt: “Allemaal citaten. Uit mijn mond is nog nooit een origineel woord gekomen.”13 Het citeren dient bij mij ( maar niet bij Kinneging, die weinig levende anderen citeert) ook het construeren van een sociale groep: een virtuele gemeenschap van mensen die zich verzetten tegen de aanval op solidariteit, op respect voor anderen en op de rechtsstaat die van de Burke Stichting en Wilders gelanceerd wordt.

Mijn intentie is het, de belangrijke kritiek die van veel anderen al geleverd is te inventariseren, verder uit te werken en te onderbouwen.


Leidse wetenschappers


De Burke Stichting wordt vooral door stemmen van Leidse wetenschappers vertegenwoordigd. De Burkiaanse intellectuelen, die niet in Leiden thuis zijn, zoals Arend Jan Boekesteijn ( Universiteit Utrecht) , Joshua Livestro ( wel een Leidse leerling van Kinneging) , Michiel Visser en Leon de Winter worden hier ook aangehaald, maar de invloed van deze denkers is van geringere omvang en betekenis. Michiel Visser en Leon de Winter traden bovendien vaak als coauteurs op samen met respectieve Bart Jan Spruyt en Afshin Ellian.


Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie in Leiden



Afshin Ellian, hoogleraar Sociale cohesie in Leiden

Paul Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap in Leiden


De Leidse germanist Jerker Spits

[…algemene informatie…]


Over Jerker Spits heeft Eric Krebbers van De Fabel van de illegaal een uitstekend artikel geschreven.

Spits bestrijdt volgens Krebbers alles wat progressief en democratisch is. In Duitsland publiceert Spits in nieuw-rechtse bladen als Junge Freiheit en Sezession, die de conservatieve revolutie weer tot leven willen wekken. Hij prijst de

en "moed" van Geert Wilders, "de hoop van veel migratietegenstanders" en schenkt veel aandacht aan de opvattingen van voormalig Burke stichting-voorzitter Bart Jan Spruyt.

Het Duitse Oberverwaltungsgericht oordeelde in 1997 en 2001 dat Spits’ publicatie-orgaan Junge Freiheit zich keert tegen het principe van democratie en het verbod op discriminatie. Naast neutralere artikelen publiceert het blad volgens het gerechtshof veel racistische en antisemitische stukken, waarin ook denigrerend over holocaust-slachtoffers gesproken wordt.14 Spits heeft meer dan 50 artikelen gepubliceerd in Junge Freiheit. Deze en alle andere artikelen van Spits zijn in te zien in het archief van De Fabel van de illegaal in Leiden, Koppenhinksteeg 2, dagelijks 14.00-17.00.


Jerker Spits over de nazi-filosoof Carl Schmitt:[geciteerd naar Eric Krebbers]: "Het liberale Westen heeft een anti-liberaal als Schmitt juist nodig om zijn gebreken in te zien", beweert Spits. Nu er een oorlog tegen terrorisme gevoerd wordt, zou men met Schmitt moeten gaan inzien dat "de eigenlijke politieke onderscheiding de onderscheiding tussen vriend en vijand is". Ideeën en menselijkheid zouden er niet meer toe doen.

Michael Ignatieff schrijft over Carl Schmitt: ”Schmitts jurisprudence, in its worship of strong authority, lacked any conception of a constitution as moral order of liberty” 15 ( zie ook punt 5.4. over Carl Schmitt).


De strenge Burkiaan en Germanist Jerker Spits is anti-Islam, maar toont zich tegelijkertijd een fervente aanhanger van de Duitse conservatieve revolutionair en oorlogsfanaat Ernst Jünger, een geestelijk wegbereider van het Derde Rijk. De ironie wil, dat juist de oorlogszuchtige literatuur van Jünger grote indruk heeft gemaakt op de moderne anti-westerse moslims.16 Krebbers: “Spits […] komt zelfs op de proppen met de vergeten broer van Ernst Jünger, Friedrich Georg Jünger, die ook een leidende figuur zou zijn geweest bij de conservatieve revolutie.” Over deze broer van Jünger en diens anti-westerse houding schrijven Buruma/Margalit: “Friedrich Georg Jünger wrote in an essay Krieg und Krieger ( War and Warriors) that Germany had lost the Great War because it had become to much “part of the West by taking on such Western values as ‘civilization, freedom, and peace.’ 17.


Rob Hartmans is een kenner van de boeken van Ernst Jünger. Hij schrijft:

Anders dan bij vele anderen uit [de] ‘generatie van 1914’ verdween bij Jünger het enthousiasme voor de frische und fröhliche Krieg niet bij het inslaan van de eerste granaten. Wie de eerste wereldoorlog vooral kent uit het literaire werk of de egodocumenten van Erich Maria Remarque, Henri Barbusse, […] wrijft zich de ogen uit als hij voor het eerst kennis maakt met de boeken die Jünger over de oorlog schreef. Hier vinden wij geen uitputtende beschrijvingen van hoe afgrijselijk het was, van de waanhoop en angst, […] [Jünger] genoot van de spanning en de angst, het meedogenloze tweegevecht. […] [Voor Jünger werd de zin van het bestaan slechts gevonden in de strijd: “Leben heisst töten.”[…]

In een artikel uit 1927 getiteld ‘Die antinationalen Mächte’ typeerde hij [Jünger] de joden als ‘uitvaagsel’, dat een ‘ijzeren vuist’ om de keel diende te voelen […] “

Hartmans beschrijft Jünger’s stilistische kwaliteiten, die geheel bevrijd zijn van humor of ironie.

In zijn boeken komt Jünger naar voren als een hartstochtelijke individualist, die niettemin jarenlang het totalitarisme, de volstrekte onderschikking van het individu aan de collectiviteit, heeft gepredikt.”18


Buruma/Margalit wijzen er zelf ook op het structurele verband tussen de argumentatie van de conservatief-revolutionairen, van de anti-westerse Moslims, en van de neoconservatieve kringen: ”Some of the rhetoric now coming from the United States, especially in neoconservative circles, comes close to this vision […] “ (p. 59)

Buruma/Margalit schrijven ook over het aandeel dat de door Spits zo bewonderde conservatieve revolutionairen hadden aan het falen van de republiek van Weimar:

The Weimar republic did not fall only because of Nazi brutality […]. It also fell because too few people were prepared to defend it.” (p.73)


Ik ken Jerker Spits persoonlijk. Hij vormt de schakel tussen de McCarthyaanse antisemitisme-, censuur- en intimidatieaffaire bij de Leidse opleiding Duits en mijn nieuw interesse- en actie-gebied, het neoconservatisme en de Burke Stichting..

Jerker Spits is promovendus bij prof. Anthonya Visser (zie www.passagenproject.com/visser.html ;www.passagenproject.com/antisemitisme.html .




Zie ook: De censuuraffaire Passage bij de Leidse opleiding Duits



5. De positieve receptie van Heins stuk Passage door prof. Anthonya Visser; de door haar in de praktijk gebrachte (en door het Universiteitsbestuur ondersteunde) censuur en intimidatie moet in samenhang met de tendens tot conformiteit en verharding in de Nederlandse samenleving worden gezien. Het proces dat prof. Visser tegen mij ( ik ben trouwens onder haar verantwoordelijkheid cum laude afgestudeerd) heeft aangespannen www.passagenproject.com/proces.html is een geval van zowel afgrijselijk alsook lachwekkend McCarthyanisme, dat Universiteitsgeschiedenis maakt.


Ik heb ook Paul Cliteur, de kampioen van de Vrije Meningsuiting, van deze censuuraffaire op de hoogte gebracht ( in een persoonlijk gesprek in juni 2004). Ik heb hem verteld dat ik een debat eis aan de Universiteit Leiden over de zaak Passage. Hij zei:”Daar heeft Thony Visser geen zin in.” Ja, natuurlijk. Maar is dat een reden om mij niet te steunen in deze zaak van academische vrijheid?


Bart Jan Spruyt

1984 Aanvang studie geschiedenis Universiteit Utrecht.

1994-2000 Politiek redacteur Reformatorisch Dagblad.

1996 Promotie aan de theologische faculteit van de Universiteit Leiden op een onderzoek naar de hervormingsbewegingen binnen de katholieke kerk in de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.

2000 Mede-oprichter en later directeur Edmund Burke Stichting.

2003 Publicatie Lof van het conservatisme bij uitgeverij Balans.

2003 Conservatief Manifest



Spruyt is sterk betrokken bij het opleidingsprogramma van de Burke Stichting, dat zich o. a.op Leidse studenten richt. “Via lezingen, masterclasses en een zomerschool wordt een nieuwe voorhoede klaargestoomd, die het conservatisme verder moet uitdragen. 'Een soort schaduwuniversiteit', legt Spruyt uit. 'Op universiteiten en hogescholen is nauwelijks aandacht voor conservatisme. Dus groeit er weer een generatie op die daar niet mee in aanraking komt. Als je echt iets wilt, moet je de nieuwe generatie de goede boeken en lezingen aanreiken. Building and arming, in de hoop dat je een nieuwe voorhoede creëert.” ( de Volkskrant, 12-3-2005)



In de achtergrond : prof.dr. Bolkestein


1. De Edmund Burke Stichting

1.1. Het clubje van Bolkestein: conservatisme en liberalisme


De Edmund Burke Stichting, een rechtse denktank van voornamelijk witte mannen,19 werd opgericht in 2000/2001 als en denktank naar Amerikaans model.

Genoemd werd de denktank naar Edmund Burke¸ die als eerste “een omvattende typologie van de conservatieve […] filosofie” ontwierp. “Ofschoon hij [Burke] in een situatie schreef, die hij nog aanvaardde - het Engelse bestel rond 1790 - en daarom als een behoud-conservatief kan worden beschouwd, legde hij met zijn ideeën ook de grondslag voor het herstel-conservatisme, dat zich voortaan op zijn leer van de twee soorten vernieuwing kon beroepen en op grond daarvan de vernieuwingen na 1789 als goddeloos, als menselijke hybris kon verwerpen.` (Von der Dunk, Conservatisme, p. 80, 83).


Op 3 februari 2001 verscheen een artikel in het NRC Handelsblad met de titel Het conservatieve moment is gekomen. In dit artikel, geschreven door Joshua Livestro, wordt voor het eerst voor een breed publiek en met een programmatische visie melding gemaakt van het bestaan van de Edmund Burke Stichting met bijhorende website, www.conservatismeweb.com.


Livestro- samen met de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging een van de initiatiefnemers van de Burke Stichting- , had in Londen op het hoofdkantoor van de Conservative Party gewerkt en was van 1999-2002 persoonlijk medewerker van Europees Commissaris Frits Bolkestein in Brussel. Net als zijn voormalig docent Kinneging en de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur ( lid van de raad van aanbeveling van de Edmund Burke Stichting) , was Livestro nauw verbonden aan de rechtsliberaal Bolkestein, die, hoewel nooit direct verbonden aan de Burke Stichting, een belangrijke rol heeft gespeeld in de achtergrond van de Stichting. Bolkestein werd al genoemd op de voorloper van de Burke Stichting, het conservatisme-web.20

Bolkestein vertelt in zijn boek Grensverkenningen, dat hij samen met Kinneging en Cliteur een leesclubje had, dat regelmatig bij elkaar kwam en o.a. samen Burke las, Reflections on the Revolution in France, een tekst die ook op de huidige website van de Edmund Burke Stichting kan worden gevonden.


Bolkestein in zijn dagboek Grensverkenningen

Vrijdag 6 augustus 1999: s’middags kwam min leesclubje weer bijeen in Amsterdam: Andreas Kinneging en Paul Cliteur. We hebben Edmund Burke gelezen, Reflections on the Revolution in France. Burke is overtuigender over het Britse constitutionele recht, met zijn nadruk op precedent, geleide­lijkheid en traditie, dan in het afgeven op de Franse Revolutie, wat hij overigens op briljante wijze doet. Hij heeft toch een te gunstige mening over het Ancien Régime. Andreas [Kinneging] is het hier niet mee eens. Hij vindt dat de Franse Revolutie helemaal niet nodig was; dat de adel zich aanpaste aan de moderne omstandigheden en een nuttige rol speelde; en dat onze visie op het Ancien Régime is gekleurd door de geschiedschrijving, dat wil zeggen door de tegenstanders. Mijn kennis is niet toereikend om dit te bestrijden. Het is natuurlijk dui­delijk dat de Franse Revolutie veel wandaden op haar geweten heeft, zoals iedere revolutie. Maar moderniseerde zij niet ook? “21

Bolkestein staat met zijn gedeeltelijk positieve blik op de Franse revolutie dichter bij de verlichtingspleiter Paul Cliteur dan bij Kinneging. Binnen de Edmund Burke Stichting zijn er dan ook juist wat de verlichting betreft verschillende opvattingen te vinden. Maar ondanks bepaalde verschillen weten de heren elkaar goed te vinden in hun wens naar een rechtsliberaal conservatisme, dat de verzorgingsstaat en de islam afwijst. De latere directeur van de Burke Stichting Bart Jan Spruyt in Lof van het conservatisme (2003):

Slecht in enkele individuen vond het conservatisme pleitbezorgers [naast J.L.Heldring]: in de Leidse rechsfilosofen Paul Cliteur en Andreas Kinneging, die de discussie over het conservatisme buiten de muren van de Telders stichting (het wetenschappelijk bureau van de VVD) hoorbaar wisten te maken en zo een beslissende bijdrage aan de herleving van het conservatisme hebben geleverd.” ( p. 9) Bart Jan Spruyt noemt in dit boek Bolkestein een conservatief, die zich zo niet wil noemen omdat hij “daar politieke redenen voor had” ( p. 8) .

Spruyt gaat in Lof van het conservatisme nog verder uitvoerig in op Bolkestein, Cliteur en Kinneging. Bolkestein, volgens Spruyt een strijder “voor een combinatie van economische progressiviteit en cultureel conservatisme”, was

overtuigd van de noodzaak de strijd tegen het morele nihilisme aan te binden, maar wist […] het benodigde stelsel van waarden en normen niet te concretiseren. De zogeheten kardinale deugden uit de klassieke en christelijke traditie zijn volgens Bolkestein lovenswaardig, maar wat kan een liberaal politicus ermee? 'Het liberalisme is geformuleerd in een tijdperk waarin moraal in zekere zin het monopolie van de kerk was. De liberaal had niet zozeer de behoefte daar een eigen moraal tegenover te stellen, als wel staat en kerk te scheiden. Moraal was immers vanzelfsprekend. Het uitdenken van een kader waarbinnen de deugden de nadruk kunnen krijgen die ze verdienen, is een grote uitdaging voor het hedendaagse liberalisme', luidde Bolkesteins eindconclusie.” ( p. 54f)


De positie van Kinneging en Cliteur schetst Spruyt als volgt:

Binnen de liberale stroming hebben vooral twee denkers van zich doen spreken:Paul Cliteur (1955) en Andreas Kinneging (1962).” “Cliteur en Kinneging stonden samen aan de basis van de oprichting van een stichting, genoemd naar Edmund Burke, die zich in Nederland toelegt op de verwoording en verspreiding van het conservatieve gedachtegoed.”


In zijn proefschrift onderzocht Cliteur - aan de hand van zijn conservatieve schrijvers - naar eenzelfde middenweg tussen rechtspositivisme en het klassieke natuurrecht. Op zoek naar een bovenwillekeurige grondslag van het recht kon Cliteur niet veel met de 'metafysische abstracties' van het klassieke natuurrechtsdenken. Hij bepleit een meer 'bescheiden' variant van het natuurrechtelijke denken en noemt dat 'cultuurrecht'. In aansluiting aan Friedrich Hayek bedoelt Cliteur daar 'spontaan gegroeide ordeningen' mee. Door een proces van trial and error, door het steeds verder sleutelen aan het eigen rechtsstelsel (piecemeal engineering), kan een cultuurgemeenschap principes op het spoor komen die als de normatieve grondslag van het recht gaan fungeren. […]

De doctrine van de democratische rechtsstaat - die de staat bindt aan de wet van alledag en haar wetgeving en interventies toetst aan de Grondwet - is echter in toenemende mate in de handen van epigonen terechtgekomen, stelt Cliteur vast, zodat men zelfs voor de vrijheid van meningsuiting voor ambtenaren is gaan pleiten. Dergelijke werkingen van de wet van de epigonie bieden Cliteur telkenmale stof tot het concretiseren van zijn conservatisme - en als professoraal columnist van het tv-programma Buitenhof vindt hij voor zijn pleidooien een breed gehoor.


Kinneging heeft een andere ontwikkeling doorgemaakt. Begonnen als liberale vrijdenker en medewerker van de Telders stichting (en ghost writer van Bolkestein) wilde Kinneging een proefschrift schrijven waarin hij zou aantonen dat het liberalisme de vanzelfsprekende uitkomst is van een proces van modernisering dat zich op z'n minst vanaf de achttiende eeuw bij denkers als Montesquieu aftekende. Maar deze 'Whig interpretation of history' (Herbert Butterfield) bleek niet bestand tegen de feiten. Toen hij achttiende-eeuwse politieke filosofen ging lezen, ontdekte hij vooral hoe belangrijk de klassieken voor deze auteurs waren geweest en dat hun mensbeeld grondig verschilde van dat van de liberalen. De klassiek politieke theorie was niet langer de probleemloze voorloper van het liberalisme maar haar grootste criticus.

De mens is tot het kwade geneigd, zo leerde Kinneging, en moet door karakter- en gewetensvorming het animale in zichzelf overwinnen. Bij die vorming was de deugdenleer van Plato, Aristoteles, Cicero en (in zijn christelijke gedaante) Gregorius de Grote richtinggevend. En die deugdenleer was de afspiegeling van een eeuwige zijnsorde die een voorgegeven morele orde impliceerde. Anders dan Cliteur is Kinneging een overtuigd aanhanger van het klassieke natuurrecht. Dat betekent onder meer dat hij wil beginnen bij de (zelf opgelegde) begrenzing van het leven van het individu. Alleen dan ontstaat het culturele en morele kapitaal dat een rechtsstaat kan doen floreren.

Van zijn ontdekking van deze 'aristocratische' traditie in de politieke filosofie deed Kinneging verslag in zijn dissertatie, die […] in 1996 afkwam. Daarna heeft Kinneging van zich doen spreken door zijn publieke afscheid van de VVD en een reeks van wetenschappelijke publicaties en populair-wetenschappelijke artikelen in dag- en weekbladen over het belang van de deugdenleer en de (conservatieve) politieke implicaties daarvan. Daarnaast heeft Kinneging zich toegelegd op het traceren van het voortbestaan van deze traditie in de negentiende en twintigste eeuw, waarbij zijn aandacht vooral uitging naar fenomenologen als Josef Pieper, Max Scheler en Nicolai Hartmann. “ ( p. 55 ff)


Bart Jan Spruyt heeft in zijn eveneens in 2003 verschenen pamflet De crisis in Nederland en het conservatieve antwoord (een tekst die ook op de website van de Burke Stichting te lezen is) een verschil gemaakt tussen verscheidene varianten van conservatisme ( namelijk sceptisch, historisch en natuurwetgeoriënteerd), en de twee laatstgenoemte varianten ook met de namen Cliteur respectievelijk Kinneging verbonden. Spruyt schrijft:

De eerste vorm van conservatisme is de sceptische variant. Zij wordt gehuldigd door

mensen met een somber mensbeeld en met vooral een pessimistische kijk op het

menselijk kenvermogen. Onze kennis, zo is hun meest basale overtuiging, is altijd

maar ten dele en onvolmaakt, en om die reden zijn wij nooit in staat de werkelijkheid

volkomen te doorgronden en die werkelijkheid te herscheppen naar theorieën die wij

ons in ons hoofd hebben gevormd. We moeten dus al helemaal niet proberen hier op

aarde de hemel te verwezenlijken, want dan creëren wij een hel. Een beroemd

representant van deze variant is de econoom Friedrich Hayek, Nobelprijswinnaar in

1974, en erfgenaam van Edmund Burke, Lord Acton en Adam Smith. Blauwdrukken

voor een samenleving (en ook economische interventies door de staat, zoals Keynes

die voorstond) zijn per definitie op fragmentarische informatie en gebrekkige

inzichten gebaseerd, en resulteren daarom onvermijdelijk in ellende en

onderdrukking. Deze vorm van conservatisme vinden we vooral in Engeland. Michael

Oakeshott is er een beroemd vertegenwoordiger van. De bekendste representant van

dit type van conservatisme in Nederland is NRC-columnist J. L. Heldring.


Soms gaat deze vorm van conservatisme moeiteloos over in een tweede vorm, die we

zouden kunnen typeren als de historische school binnen het conservatisme.

Representanten van deze school schuiven, kort gezegd, tussen het eenzame individu

en de chaos van de geschiedenis de heilzame bescherming van de traditie. Hayek

legde al de nadruk op de waarde van spontaan gegroeide instituties. Of die instituties

een waarheid belichamen, is voor deze conservatieven niet de meest prangende vraag.

Zij zijn ontstaan en hebben zich in een historisch proces van trial and error (Karl

Popper) als waardevol bewezen. Zij geven het leven iets van orde en een bezield

verband. Een beroemd vertegenwoordiger van deze vorm van conservatisme is de

Engelse filosoof Roger Scruton, die strijk-en-zet benadrukt dat instituties en sociale

verbanden aan de mens voorafgaan en diens leven zinvol bepalen. De modernistische

afbraak van instituties en tradities treden zij kritisch tegemoet, omdat na die afbraak

volgens hen niets dan een gapende leegte overblijft en moderne mensen in zo’n

nihilistisch klimaat eindeloos in de weer zijn zichzelf een identiteit aan te meten.


Van de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur zouden we kunnen zeggen dat hij de

woordvoerder is van een bijzondere variant van deze vorm. Sinds zijn proefschrift uit

1989 en in talloze belangrijke publicaties daarna, heeft hij de notie van het

cultuurrecht gepropageerd, daarbij duidelijk geïnspireerd door een scala aan

conservatieve denkers en schrijvers. Cliteur, hoogleraar in de encyclopedie van het

recht in Leiden en lid van de Raad van Aanbeveling van de Edmund Burke Stichting,

bedoelt daarmee dat een cultuurgemeenschap door het steeds verder sleutelen aan het

eigen rechtsstelsel (piecemeal engineering) principes op het spoor kan komen die als

normatieve grondslag van het recht gaan functioneren. Traditie en geschiedenis zijn

dus de bron van het cultuurrecht, dat als .geheel van redelijk omlijnde beginselen. is

neergeslagen in mensenrechtenverklaringen, grondrechten en geschreven dan wel

ongeschreven constitutioneel recht. [ opmerking M.T.: Cliteur keert zich inmiddels uitdrukkelijk tegen het principe van “piecemeal engineering” en vraagt om een neoconservatieve revolutie, zie Cliteur in de NRC, 17-12-2002]


Deze variant van Cliteur is een bewuste poging een middenweg te bewandelen tussen

rechtspositivisme en het klassieke natuurrecht. Cliteur noemt zijn visie een meer

bescheiden variant van het natuurrechtelijke denken, dat gebaseerd is op

metafysische abstracties, waarmee Cliteur weinig kon.


Dat geldt niet voor een derde groep van conservatieven, die zich juist op de

natuurwetstraditie baseren. Deze traditie, waarvan de grondslagen in de klassiek

oudheid bij denkers als Plato, Aristoteles en Cicero zijn gelegd, en die via de

christelijke middeleeuwen tot in de huidige tijd voort bestaat, gaat uit van een morele

orde die niet door de mens is geschapen, maar door hem via een juist gebruik van de

rede kan worden ontdekt. Die orde is, met andere woorden, voorgegeven: zij bestaat

ook onafhankelijk van de mens. Deze orde is absoluut, en dient het menselijk leven

heilzaam te begrenzen. De natuurwet heeft dus niets (de gedachte is een veel

voorkomend misverstand) met de ‘survival of the fittest’ te maken, maar is die wet die

in overeenstemming is met de aard of natuur van de mens. Die mens is niet van nature

als vanzelf tot het goede geneigd. Hij heeft waarden of karaktereigenschappen

(deugden) nodig met behulp waarvan hij de verkeerde neigingen in zichzelf kan

beheersen.


Deze derde vorm van conservatisme baseert zich dus zowel op de joods-christelijke

als de klassiek-humanistische traditie die samen bepalend zijn geweest voor de

westerse cultuurtraditie. Edmund Burke sprak van de “spirit of the gentleman and the

spirit of religion”. In Nederland heeft deze traditie aan bekendheid gewonnen door de

publicaties van de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging, die ook lid is van de

Raad van Aanbeveling van de Edmund Burke Stichting.”

[Kinneging is inmiddels directeur Burke stichting , M.T.]


Andreas Kinneging, oprichter van de Burke Stichting, en Frits Bolkestein zijn ideologisch sterk aan elkaar verwant. Kinneging heeft - zoals gelinkte artikelen vermelden op de site conservatismeweb- de VVD verlaten vanwege de verzwakte rol van Bolkestein in de VVD. Na het vertrek van Bolkestein kon hij zich in de koers van de liberalen niet meer vinden. “ 'Tot mijn spijt hebben Bolkesteins opvattingen over de grenzen aan persoonlijke vrijheid geen wortel geschoten in de VVD', zegt hij in een toelichting. Kinneging was met Bolkestein in 1996 de initiatiefnemer van het moraaldebat in de VVD. In dat debat namen zij de stelling in dat de overheid burgers in hun vrijheid mag beperken als de maatschappelijke orde dat vergt. Volgens hen schiet het liberalisme tekort als het zich alleen inzet voor de vrijheid van het individu. “ ( Trouw, 1-12-1999)

Als het liberalisme vooral wordt gekenmerkt door het streven naar een samenleving waarin sprake is van diversiteit en pluriformiteit van waarden, heeft ook Bolkestein afstand genomen van een liberale visie. De Westerse beschaving heeft bij Bolkestein voorrang voor andere culturen.

Bolkestein wordt ook genoemd in het Burke- pamflet De crisis van Nederland (“Ook de verzorgingsstaat dient grondig te worden hervormd. Conservatieven omarmen de slogan van Frits Bolkestein: liever de warmte van een baan dan de kilte van een uitkering“) . Omgekeerd komen in Bolkesteins Grensverkenningen niet alleen Livestro, Kinneging en Cliteur herhaaldelijk ter sprake, (“Vrijdag 31 maart 2000 Lunch met een stel slimme academici in Nieuwspoort, allen leer­lingen van Andreas Kinneging, die er ook was; georganiseerd door Joshua Livestro, die nu mijn persoonlijke medewerker in Brussel is […] . Onderwerp van gesprek was het liberalisme, het postmodernisme (en wat daar­tegen te doen) en het verlies aan zelfvertrouwen van de Europese eli­te..”) ook Michiel Visser, secretaris van de Burke Stichting en medeauteur van een aantal artikelen wordt genoemd ( “Vrijdag 16 januari 2000 Geluncht in Nieuwspoort met Joshua Livestro, Andreas Kinneging, Paul Cliteur, Hans Kribbe, Michiel Visser en nog een paar academi­ci over de eeuwige onderwerpen Verlichting - Romantiek - Natio­nalisme - 1968, enz.”) net als de neocon en Burke-ere-donateur22 Afshin Ellian23, die overigens ook op de Burke–site afgebeeld staat samen met Bart Jan Spruyt.

Ook met de Burke-conservatief Roger Scruton heeft Bolkestein kennis gemaakt (“Donderdag 5 juli 2001 […] naar Den Haag om een toespraak van Roger Scru­ton bij te wonen, in Diligentia. Opkomst viel mij alleszins mee, evenals de toespraak zelf. Het was aardig een glas bier met hem te drinken, na afloop. Kinneging en Livestro hielden inleidende be­schouwinkjes.”

Bolkestein was aanwezig op de eerste belangrijke bijeenkomst van de Burke Stichting waar Roger Scruton de eerste Burke-lezing hield. ***Vermoedelijk wil Bolkestein niet dat zijn nauwe banden met de Edmund Burke Stichting bekend worden. Het is bijvoorbeeld zeer merkwaardig, dat hij in 1999 en 2000 zeer frequente contact had met de oprichters van de Burke Stichting; samen met hun Edmund Burke las; op de eerste grote lezing van de stichting aanwezig was, maar in zijn dagboek Grensverkenningen het woordje “Edmund Stichting”angstvallig vermijdt.


Bolkestein staat ook niet op de lijst van het steuncomité voor ex-moslims (september 2007), een comité waar behalve Bolkestein alle Burke-leden en -sympathisanten samen met Wilders hebben ggetekend. Het comité is het initiatief van Paul Cliteur en Afshin Ellian die bovendien ook met succes enkele linkse intellectuele hierbij wisten te betrekken.

Mijn hypothese is, dat het feit dat Bolkestein niet heeft getekend, geen inhoudelijk besluit van Bolkestein was, maar vooral strategisch-tactische reden had. Ik kon mijn hypothese toetsen op 18 september 2007, toen Bolkestein in De Balie in Amsterdam24 vurig voor Ehsan Jami ( de controversiële ex-moslim voor wie het steuncomité in het leven was geroepen) opnam. Ik vroeg Bolkestein, waarom hij de verklaring van het steuncomité niet had getekend, hij antwoordde korzelig: “Maybe I will” ( voertal was Engels) .


Bolkestein was aanwezig op de eerste belangrijke bijeenkomst van de Burke Stichting waar Roger Scruton de eerste Burke-lezing hield, De betekenis van het conservatisme, ingeleid door Livestro en Kinneging.

Scruton en zijn (veelal hard anti-islamitische) teksten figureren veel op de Burke-site. In de eerste Burke lezing heeft Scruton het ook uitgebreid over Edmund Burke. Scruton onderbouwt zijn behoud-conservatisme alsmede zijn herstel-conservatisme in de geest van Burke. Livestro haalt in zijn inleiding van de Burke lezing Scruton aan: “[Ik ben] op zoek ... naar een verloren ervaring van thuis-zijn. En onder dat gevoel van verlies ligt, neem ik aan, de blijvende overtuiging dat wat verloren is gegaan ook weer kan worden heroverd - niet noodzakelijk zoals het eerst was, toen het ons ontglipte, maar zoals het zal zijn als het weloverwogen wordt teruggewonnen en opnieuw gemodelleerd.”

Scruton legde in de Burke- lezing uit wat hem bij Burke zo sterk aantrekt- en dezelfde gedachtes zijn duidelijk ook zeer aantrekkelijk voor Kinneging en Cliteur:

Ten eerste de verdediging van autoriteit en gehoorzaamheid [maakte indruk op mij] . Autoriteit was voor Burke allerminst de verfoeilijke zaak die zij in de ogen van mijn tijdgenoten was, maar juist de basis van politieke orde. De samenleving, betoogde hij, wordt niet bijeengehouden door de abstracte rechten van de burger, zoals de Franse revolutionairen veronderstelden, maar door autoriteit een begrip dat primair het recht op gehoorzaamheid aanduidt, en niet alleen maar de macht om die af te dwingen. Gehoorzaamheid is op haar beurt de voornaamste deugd van politieke wezens, de mentale instelling die het mogelijk maakt over hen te regeren, en zonder welke samenlevingen vervallen tot het 'stof en poeder van de individualiteit'. Deze gedachten waren voor mij even vanzelfsprekend als ze schokkend waren voor mijn tijdgenoten. Burke verdedigde de aloude opvatting dat de mens in samenlevingsverband de onderdaan van een soeverein is, tegen de nieuwe opvatting dat hij burger van een staat is.” ( p 29)

Scruton zegt er ook bij, hij de ideeën van Burke uitdrukkelijk tegen de beweging van de jaren zestig wilde inzetten. Ook verdedigt hij in de geest van Burke het vooroordeel, alsmede de “provocerende verdediging” die Burke in dit verband onderneemt van het 'vooroordeel' – “de verzameling overtuigingen en ideeën verstaat die instinctief in sociale wezens ontstaan”. Als voorbeeld noemt Scruton de vooroordelen omtrent seksueel gedrag: die moeten er zijn, schaamte en eergevoel moeten waken voor vernieuwingen of valse ideeën van bevrijding.

En het resultaat [ de seksuele bevrijding] is precies zoals Burke zou hebben voorzien: niet louter een breuk in het vertrouwen tussen de seksen, maar een teloorgang van heel het voortplantingsproces.”

In die kundige, heldere gedachten gaf Burke een samenvatting van al mijn instinctieve twijfels over de roep om bevrijding […] ” ( p31ff) .



Bolkestein noemt in zijn dagboek deze lezing van Scruton - zonder een enkele kritische opmerking te maken over diens waarlijk antiliberale houding ten opzichte van de seksualiteit. Maar Bolkestein wist natuurlijk ook dat zijn vriend Kinneging homoseksualiteit en abortus streng afkeurde (op de site conservatismeweb), en had ook daar blijkbaar weinig problemen mee. ***Net als Scruton verafschuwt Bolkestein de geest van de jaren ’60. Bolkestein: “Seksuele emancipatie is een van de factoren die de grote toename in het aantal echtscheidingen hebben veroorzaakt.” (de Volkskrant, 1- 9-2001)

Bolkestein is zelf ook van mening dat de overheid goed aan zou doen om instellingen als het gezin, die door de tijden heen hun geschiktheid voor het „cultiveren van moreel kapitaal” hebben bewezen, te beschermen (Reformatorisch Dagblad, 19-10-2000). Voor Kinneging kan het instituut van het gezin niet “dik” en sterk genoeg zijn, kritiek op een star en haast fascistoïde vasthouden aan het traditionele gezin wijst hij af. “We moeten ons dus op de bescherming van het gezin concentreren. Het gezin: dat is volledig verwaterd en verdient meer dan ooit bescherming. De markt: daar moeten gewoon de wetten van de markt regeren.” (Reformatorisch Dagblad, 16-12-2000). „Gelijkstelling van andere levenswijzen en samenlevingsvormen met het traditionele gezin, zoals bijvoorbeeld het homohuwelijk, is daarom niet juist. Zoiets miskent en verhult de speciale positie en taak van het traditionele gezin in de samenleving.” ( Reformatorisch Dagblad 16-10- 1999).

Bart Jan Spruyt deelde Scruton en Cliteur (in De crisis in Nederland en het conservatieve antwoord) in bij dezelfde onderafdeling van het conservatisme ( het “historisch” conservatisme): Inderdaad is ook Cliteur zeer ingenomen van Scruton, over wie hij een zeer positieve recensie in de Volkskrant ( 15-9-2006) heeft geschreven, waar hij Scrutons boek over het religieus terrorisme, The West and the rest ( 2002) prijst.

Terugblikkend zegt Livestro over Bolkestein:

De voedingsbodem voor de [conservatieve] renaissance werd de afgelopen tien jaar vooral gelegd door Bolkestein en de Leidse docent rechtsfilosofie Andreas Kinneging”( NRC 13-7-2002).

De Leidse professor Bolkestein zit bovendien sinds 2004 samen met de Burkiaanse neoconservatieve rechtfilosofen Kinneging, Ellian en Cliteur in het nieuwe Leidse rechtengebouw (terwijl hij eigenlijk organisatorisch bij Sociale Wetenschappen/ Politicologie hoort). Maarten Huygen:

Zijn [Kinnegings] kantoor ligt op de lichte zolderverdieping van het voormalige Kamerlingh Onnes natuurkundelaboratorium, dat is omgebouwd tot rechtenfaculteit. Schuin tegenover hem werkt onder strenge bewaking een voorvechter van de door Kinneging gelaakte Verlichting, de hoogleraar Sociale Cohesie en Recht, Afshin Ellian. Aan zijn gang zitten ook twee andere hooggeleerden met een uitgesproken liberaal profiel: het VVD-lid Paul Cliteur, hoogleraar van de Encyclopedie van de Rechtswetenschap, en de gewezen VVD-leider en commissaris van de Europese Commissie, Frits Bolkestein, hoogleraar in de Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen.” ( NRC 13-5-2006)

Ondanks verschillen in detail bestaat tussen Livestro, Kinneging, Cliteur, Ellian en Bolkestein een fysieke (het Leidse rechtengebouw) en/of sociale ( de VVD / de Universiteit Leiden) en/of een geestelijk-politieke band. Zij zijn allemaal te vinden aan de rechterkant van de VVD, in de omgeving van het rechtspopulisme van Fortuyn en Wilders. Sinds februari 2007 zijn zij bovendien allemaal –Livestro, Bolkestein, Spruyt, Kinneging, Ellian, Cliteur (en ook Scruton) - auteurs in het rechtse blad Opinio.


In de eerste tekst van de Burke Stichting die in de krant verscheen, Het conservatieve moment is gekomen haalt Joshua Livestro Edmund Burke aan:

Conservatieven dienen de waarschuwing van Edmund Burke serieus te nemen dat wanneer de vijanden van Waarheid en Moraal zich verenigen, de voorstanders hetzelfde dienen doen.”

De Burke Stichting is een vereniging van vrienden, met een sterke basis aan de Universiteit Leiden.

“‘Het wekt inderdaad de indruk alsof het hier een bijkantoor is van de Burke Stichting’, zegt Labuschagne ( zelf ook werkzaam aan de Leidse rechtfaculteit en als docent verbonden aan de Burke Stichting) ‘Niet iedereen is daar gelukkig mee.” Burke-directeur Spruyt:

Bart [Labuschagne] is een echte conservatief. We zijn goed bevriend. We voelen ons maatjes, Cliteur, Kinneging, Labuschagne en ik.’ “25

In Kinnegings boek Van Kwaad tot erger( ) zijn alle vier Leidse vrienden, Spruyt, Cliteur, Labuschagne en Kinneging zelf met artikelen vertegenwoordigd . De Burke-secretaris en tussendoor directeur, Bart Jan Spruyt, zit niet aan de Leidse Universiteit, maar is in Leiden gepromoveerd ( aan de theologische faculteit, in 1996) . Zijn achtergrond wordt beschreven in een artikel in het Nederlands Dagblad van 23-12-2000, een artikel, waarnaar op de eerste conservative website conservatisme.net wordt verwezen:


”[…] De secretaris van de pas in het leven geroepen Edmund Burke Stichting is dr. Bart Jan Spruyt. In het dagelijks leven leidt hij de politieke redactie van het Reformatorisch Dagblad. […] Bart Jan Spruyt noemt zich een ,,conservatief vanaf de geboorte''. Hij wil ermee aangeven dat het een ,,levenshouding'' is van hem. Wat hij tot voor kort niet wist, is dat het conservatisme een concrete en uitgewerkte politieke filosofie had. Door zich te verdiepen in het werk van en te spreken met Kinneging is Spruyt erachter gekomen dat een 'gat' kon worden opgevuld. Een gat dat er, zijns inziens, bestond tussen de christelijke uitgangspunten en beginselen enerzijds en de vertaling daarvan in concrete politieke situaties anderzijds. Voor hem ligt de waarde van de conservatieve filosofie vooral in de nadruk op het belang van instituties als gezin, staat en markt.”


Over de relatie tussen Bolkestein en de Edmund Burke wordt op de website van de Burke Stichting nog vermeld (onder de noemer “Over de Stichting- Edmund Burke”) :

Wat in Burke’s uiteenzetting van blijvend belang is, is het ideaal van ‘wijze en onafhankelijke’ volksvertegenwoordigers, die op grond van levensbeschouwelijke principes politiek actief zijn, de constitutie bewaken en niet de volksgunst maar het algemeen belang op het oog hebben. Een van de laatste Nederlandse politici die dit belang niet alleen in de praktijk heeft uitgedragen maar ook expliciet heeft verwoord is Frits Bolkestein, ‘Burgerschap en democratie’, opgenomen in: Boren in hard hout (Amsterdam, 1998), pp. 13-26.”


In het door Spruyt aangehaalde artikel neemt Bolkestein stelling tegen burgerschapsdenken, participatie, democratisering, allemaal dingen die hij ( terecht) met de jaren zestig en zeventig verbindt. Bolkestein is, net als de Burkianen, een hevige tegenstander van de jaren zestig en het gedachtegoed van de democratisering.

Bolkestein haalt in dit opstel de kritiek van zijn tegenstanders op de marktmechanismen correct en schijnbaar met instemming aan – zonder erop in te gaan dat hij zelf, net als de heren van de Burke Stichting, het altijd voor de markt opneemt en deze correcte redenering in de praktijk altijd ter zijde schuift. Bolkestein:


De democratie veronderstelt, zo menen ze [ de pleitbezorgers van democratisering, M.T.] , een opvoeding en opleiding tot burger, zowel qua kennis als qua ethos, en daarenboven een grote mate van economische gelijkheid.

Zo bezien bestaat er een wezenlijke spanning tussen democratie en markteconomie. Immers, de markteconomie vereist een opvoeding en opleiding die gericht zijn op de arbeidsmarkt. Zowel de noodzakelijke kennis als het noodzakelijke ethos verschilt daarmee fundamenteel van de kennis en het ethos die noodzakelijk zijn voor burgerschap. Bovendien produceert de markteconomie economische ongelijkheid. De vrije werking van de markt moet daarom flink worden beperkt, op straffe van een uitholling en ondermijning van de democratie.[ …]

Hoe groter de inkomens- en vermogensverschillen, des te groter de mogelijkheden van sommigen de onafhankelijkheid van anderen aan te tasten. Op deze redenering valt niet veel af te dingen.” ( p. 14 f.)


Ten onrechte reduceert Bolkestein het burgerschapsdenken in dit artikel tot een simpel pleidooi voor directe democratie, en tot een pleidooi voor het onkritische overnemen van de vox populi in de politiek. De vox populi, die heeft juist bij Bolkesteins leerling Wilders uitdrukking gevonden, en Bolkestein zelf is ook groot geworden door het luisteren naar juist deze vox populi. Ian Buruma citeert in zij nieuwe boek Dood van een gezonde roker ( Engelse titel: Murder in Amsterdam) Frits Bolkestein, die als eerste het migrantenprobleem op de politieke agenda plaatste. [Bolkestein:] “Je moet nooit onderschatten hoe diep de haat onder Nederlanders zit tegen Marokkaanse en Turkse immigranten. Mijn politieke succes berust op het feit dat ik naar die gevoelens heb geluisterd.” Buruma noemt dit een “opmerkelijke uitspraak.”(p. 58) Met deze uitspraak bevestigt Bolkestein dat hij de onderbuikgevoelens bewust heeft geëxploiteerd. Hij is in dit opzicht een populist. Bolkestein ontkent dat hij dit zou hebben gezegd, maar Buruma houdt voet bij stuk: "Het is absoluut wat hij gezegd heeft. Geen twijfel over mogelijk. Ik heb het meteen opgeschreven."



Bart Jan Spruyt legt in zijn Rooseveltlezing in Middelburg op 12 april 2006 De verdediging van het Westen, Leo Strauss, Amerikaans neoconservatisme en de kansen in Nederland (te lezen op de site van de Burke Stichting) het volgende correcte verband tussen het neoconservatisme, Bolkestein, Kinneging, Cliteur en Fortuyn:

Het (neo)conservatisme in de betekenis van liberals mugged by reality - is de laatste decennia in Nederland uitgedragen door mensen als Frits Bolkestein: die op Drees stemde, uit ergernis over de politiek van Joop den Uyl in de jaren zeventig de politiek inging voor de VVD, en als politiek leider van die partij mensen om zich heen verzamelde die openlijk sympathiseerden met het conservatisme. Na het vertrek van Bolkestein uit de Nederlandse politiek en de keuze van de VVD voor een sociaal-liberale koers onder diens lichtvoetige opvolger Dijkstal, namen onservatieve academici als Andreas Kinneging en Paul Cliteur afstand zo niet afscheid van de partij. Als gevolg van deze ontwikkeling ontstond het befaamde ‘gat op rechts’ in de Nederlandse politiek – dat naar mijn mening wordt gevoed door een stille, nauwelijks of niet gearticuleerde onvrede met de beloftes van de moderniteit, en daarom om een conservatief antwoord vraagt. De overname binnen de VVD van Bolkesteins voorstel om het niet alleen

over de democratische rechtsstaat en de vrije markt te hebben maar ook over het culturele

fundament van bezielende waarden en normen die nodig zijn om beide instituties in stand te

houden, had het ontstaan van dat ‘gat’ kunnen voorkomen. Pim Fortuyn […] had het ‘gat’ kunnen dichten als hij daar de tijd voor had gekregen […]


Maar wat zou in Nederland het karakter en programma van een neoconservatieve politieke beweging kunnen zijn? Die beweging zou moeten bestaan uit restanten (dan wel een voorhoede) uit de christelijk-conservatieve traditie en tot de werkelijkheid bekeerde liberalen. Een dergelijke samenvoeging gaat in Nederland met zijn decennia oude cultuur van verzuiling niet vanzelf […] Het zou echter wel mogelijk zijn wanneer het beste uit deze tradities – van Burke en Groen, tot Bolkestein en Fortuyn, en Cliteur en Kinneging - tot een programma wordt uitgewerkt dat als basis van samenwerking kan dienen. “



Spruyt noemt Bolkestein, Kinneging, Cliteur in één adem- en terecht.

Bolkestein zelf en de Burkianen proberen vaak de onderlinge verschillen te benadrukken, niet zonder succes. Kort na de oprichting van de Burke Stichting, in maart 2001, schreef Rob Hartmans in De Groene Amsterdammer een artikel over de nieuwe Stichting Alles moet anders: Hij schrijft over Livestro en Kinneging:

Beide intellectuelen hebben duidelijk affiniteit met de intellectueel Bolkestein, die niet alleen dossiers leest maar ook boeken, en die zelfs boeken schrijft. Toch moet er onderhand wel iets zijn gaan wringen in die verhouding, aangezien Bolkestein altijd een scherpe scheidslijn heeft getrokken tussen liberalisme en conservatisme. Sterker nog, in een artikel in de bundel Boren in hard hout (1998), betoogt Bolkestein dat conservatieven meer gemeen hebben met de verafschuwde socialisten dan met liberalen: «Socialisten en conservatieven dragen de collectiviteit hoog in het vaandel. Liberalen willen dat de mensen concurrerende individuen worden die zich een weg kunnen banen in de wereld en zich weten te verzetten tegen de staat. Voor de eersten is stabiliteit het ideaal, voor laatstgenoemden dynamiek. ”


Maar zoals we zullen zien is juist conservatieve stabiliteit geenszins het ideaal van de Burke stichting die zich in de loop van de jaren als neoconservatief-revolutionair heeft geprofileerd. De heren van de Burke Stichting Kinneging en Spruyt beoefenen weliswaar hier en daar kritiek op de markt en op de dynamiek, maar als het om concrete politieke maatregelen gaat, zijn ze tegen de stabiliteit van de verzorgingsstaat, voor een conservatieve revolutie en – antiliberaal, maar wel in de historisch conservatief-nationaalliberale traditie, voor een sterke staat met militaristische trekken.


En terecht wijst Bart Jan Spruyt in zijn artikel ‘De tikkende tijdbom’- de islamitische inbreuk op Nederlandse rechten en vrijheden ( te lezen op de website van de Burke Stichting) op de continuïteit tussen Bolkestein en Fortuyn, in toon en inhoud betreffende de integratie:

Frits Bolkestein verkondigde begin jaren negentig onomwonden dat die ‘multiculturele’ samenleving minder wenselijk was dan Nederlandse opinieleiders tot dan hadden betoogd. […]

Twee jaar na de val van de Muur en in de ambivalente euforie van de liberalen over het ‘einde van de geschiedenis’ verkondigde Bolkestein dat de liberale democratie een hogere vorm van beschaving representeerde dan de moslim-wereld die geen principes als de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid koesterde.

[…] We herinneren ons de kritiek van Bolkestein op Fortuyn, vlak voor de kamerverkiezingen

van mei 2002: met Fortuyn als premier zou Nederland op het internationale toneel een

pleefiguur’ slaan. Maar deze partijpolitieke manoeuvre mag niet aan het oog onttrekken dat

Bolkestein en Fortuyn – ondanks alle verdere verschillen ook - in ieder geval één belangrijk

punt deelden: de zorg om de ‘verweesde samenleving’, de zorg om het morele fundament

onder die samenleving, de zorg om een eeuwenlange traditie die heeft geresulteerd in

rechtsstatelijke arrangementen die direct worden bedreigd door een cultuur waarvan de

waarden zich op z’n zachtst gezegd moeizaam tot die arrangementen verhouden.”


Spruyt beklemtoont in dit artikel dat Bolkestein een conservatieve moralist is:

Bolkestein bespeurde veel relativisme en zelfhaat onder Nederlandse intellectuelen. En hij had het voortdurend over de voorschriften van de liberale democratie, de spelregels, de waarden en normen die een samenleving bestand geven. Hij had het over het morele fundament dat het liberalisme veronderstelt, een gegeven dat liberalen telkens weer dreigen te vergeten, en hij had het over republikeinse dan wel conservatieve deugden die dat morele fundament vormen. ‘Het liberalisme is geformuleerd in een tijdperk waarin moraal in zekere zin het monopolie van de kerk was. De liberaal had niet zozeer de behoefte daar een eigen moraal tegenover te stellen, als wel staat en kerk te scheiden. Moraal was immers vanzelfsprekend. Het uitdenken van een kader waarbinnen de

deugden de nadruk kunnen krijgen die ze verdienen, is een grote uitdaging voor het

hedendaagse liberalisme.’ “



En samen met Wilders schrijft Spruyt op de website van Wilders/PVV in het programma Een Nieuw-realistische visie:

Frits Bolkestein was in de jaren negentig een van de weinige politici die begreep en uitdroeg dat een liberale samenleving – zowel de rechtsstaat als de vrije-markt-economie - een fundament nodig heeft. Het mag dan zo zijn, zei Bolkestein, dat het liberalisme ‘op politiek en economisch vlak inmiddels zijn superioriteit heeft bewezen’, ‘over de waarde van de liberale cultuur, die volgens menigeen de westerse samenleving beheerst, bestaan meer twijfels’. Zowel de rechtsstaat als de economie hebben namelijk een ‘morele basis’ nodig. ‘Het gaat niet alleen om vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid, maar ook, om eens een ouderwets woord te gebruiken, om de deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen.’ In de klassieke traditie van het liberalisme is dit inzicht bijvoorbeeld verwoord door Adam Smith, die niet alleen The Wealth of Nations schreef (1776), maar ook een deugdethiek over de vraag hoe een vrije samenleving bijeen kan worden gehouden (A Theory of Moral Sentiments).
Het is nodig, aldus nog steeds Bolkestein, om in het economische leven overbodige regels af te schaffen en vermolmde, corporatistische structuren af te breken. ‘Maar op cultureel vlak vormen, mede door de komst van veel mensen met andere normen en waarden, instabiliteit en verbrokkeling een groter gevaar dan starheid. Vandaar het belang van de christelijke en humanistische traditie voor onze maatschappij als bindend element.’
Bolkesteins pleidooi voor een combinatie van economisch liberalisme en cultureel conservatisme heeft binnen zijn eigen partij, de VVD, geen weerklank gevonden. De VVD koos welbewust voor een sociaal-liberale koers en creëerde daarmee het inmiddels roemruchte ‘gat op rechts’.

[…] Toen Bolkestein het had over een cultureel en moreel fundament onder de rechtsstaat en het economische leven, had hij het over de ‘deugden’ die in instituties worden gekweekt en in stand gehouden. En juist met die instituties is de laatste decennia erg slordig omgesprongen.


Ook in Klare Wijn ( ook op de Wilders/ PVV site te vinden) schrijven Spruyt en Wilders: “[Bolkesteins] pleidooi voor ‘het belang van de christelijke en humanistische traditie voor onze maatschappij als bindend element’ heeft helaas noch binnen zijn eigen partij noch binnen de breedte van de Nederlandse politiek weerklank gevonden.”

Terecht steunt Spruyt op de conservatieve ideeën van Bolkestein. Bolkestein omarmt het liberaal-conservatisme en wijst het communitarisme als staatsinterventie af ( “In liberale ogen groeien en bloeien groepen op een spontane wijze”) , en ook de Burke Stichting heeft, zoals nog ik nog zal aantonen, geen communitaristische trekken.

Bolkestein is de geestelijke vader van Livestro en Kinneging. Met Kinneging deelt Bolkestein het conservatieve interesse voor de individuele deugden. Bolkestein:

Kinneging betoogt dat de gemeenschapsdenkers uit sociaal en christen-democratische kring zich blindstaren op de 'sociale deugden' solidariteit en gemeenschapszin. Solidariteit en gemeenschapszin worden tot 'het alfa en omega van de sociaal-politieke moraal verheven'. Natuurlijk zijn deze deugden van groot belang, maar dat belang moet ook weer niet worden overschat. Naast 'sociale deugden' zijn er ook 'individuele deugden' en slechts in combinatie met elkaar vormen ze de voorwaarde voor een 'goede samenleving'. Solidair en behulpzaam zijn veronderstelt immers dat je iets bezit wat je kunt delen. 'Als er geen geld is,' zo stelt Kinneging, 'dan kan het ook niet gegeven worden.' Om dat geld te verdienen zijn in de eerste plaats individuele deugden nodig, zoals moed, ijver, inventiviteit, doorzettingsvermogen, discipline en spaarzaamheid. Sociaal kapitaal veronderstelt dus een zekere mate van spiritueel kapitaal. Het individu kan niet zonder gemeenschap, maar de gemeenschap kan ook niet zonder de zelfredzaamheid van het individu. In een samenleving waarin iedereen slachtoffer is en hulp van de gemeenschap nodig heeft, lost solidariteit niets op. De gemeenschapsdenkers slaan de plank mis, omdat de morele leegte niet wordt veroorzaakt door een tekort aan sociaal kapitaal (dat is slechts een symptoom), maar valt te wijten aan een gebrek aan spiritueel kapitaal. Aldus nog steeds Kinneging.

[…]Terecht stelt Kinneging dat het taboe op 'morele opvoeding', dat uit de jaren zestig stamt, dient te worden verworpen. Het liefst ziet Kinneging dat deze 'morele opvoeding' geschiedt in de traditie van de 'kardinale deugden' (moed, gematigdheid, rechtvaardigheid en piëteit). Ik twijfel er niet aan dat Kinneging zijn eigen kinderen in deze traditie zal opvoeden. Maar hoe moet een liberaal anderen zover krijgen? Hoe verkondigt de liberaal zijn moraal?

Het liberalisme verwijst slechts naar de staat en kan hooguit een beroep doen op het openbaar onderwijs. Maar het is een klassiek liberaal leerstuk dat de staat neutraal dient te zijn. In de praktijk is die neutraliteit weliswaar moeilijk te handhaven maar de staat is in dit opzicht niet het geschiktste middel.

Men kan het eens zijn met Kinnegings morele crisis der deugden, men kan lof hebben voor zijn pleidooi voor 'morele opvoeding', maar het ontbreekt vooralsnog aan oplossingen.”26


Bolkestein is het dus eens met Kinnegings deugdenoffensief, dat al van 1996 dateert, al weet Bolkestein niet goed hoe Kinnegings ideeën in de politieke praktijk te brengen zijn.


Kinneging zelf weet daar wel raad me. Er is wel degelijk een aansluiting tussen privé-deugden, of de door Kinneging opgesomde doodzonden ( het tegenovergestelde dus van de deugden) en maatschappelijke oplossingen. Kinnegings conservatisme is van begin af aan een roep naar sociale en juridische drang- , dwang-, straf- en uitsluitingsmaatregelen. Kinneging haalt in zijn belangrijke tekst Het conservatisme: kritiek van de verlichting en de moderniteit Burke aan (dit artikel verscheen in Philosophia Reformata, najaar 2000, dus kort voor de oprichting van de Burke Stichting; deze tekst is ook te vinden op de website van de Burke Stichting en kwam tot stand in samenwerking met o.a. Paul Cliteur):


“…De[..] zelfdwang door het geweten is de voornaamste voorwaarde voor de individuele

vrijheid. Als de eerste ontbreekt, kan de tweede niet bestaan. ‘Society cannot exist unless a

controlling power upon the will and appetite be placed somewhere, and the less there is

within, the more there must be without. It is ordained in the eternal constitution of things, that

men of intemperate minds cannot be free. Their passions forge their fetters., aldus Burke. (Burke, .A Letter to a Member of the National Assembly’, in: Further Reflections on the Revolution

in France, Indianapolis 1992, p.69)

Zonder ‘ inner control’ is de mens een slaaf van zijn passies, zijn affecten. En omdat veel

daarvan van kwalijke aard zijn en wanorde, strijd en vernietiging met zich brengen, is bij

ontstentenis van een ‘inner control’ een ‘outer control’ nodig om de orde en harmonie te

handhaven.

Wat dient in concreto te worden verstaan onder ‘outer con