Het Leidse Passage(n)-project
(www.passagenproject.com ) :
In mei 2004 heb ik met de hulp van mijn “met-de-krant-in-de-hand-acties” ( zie www.passagenproject.com/krantindehand.html ) Paul Cliteur ertoe gebracht, met mij een diepergaand debat over zijn boeken en zijn wereldbeeld te voeren. Cliteur heeft voorgesteld een debat te organiseren in het kader van het Studium Generale aan de Universiteit Leiden, maar omdat rector Breimer niet toestaat dat ik aan de Universiteit optreed (zie hiervoor www.passagenproject.com/betrokkenbestuurders.html ) voeren Cliteur en ik een debat op internet. Op 10 juni 2004 hebben Cliteur en ik afspraken gemaakt over ons debat. Bij deze gelegenheid hab ik het duidelijk gemaakt dat ik aan een debat met hem niet alleen maar geïnteresseerd ben om zijn standpunten te weerleggen, maar vooral om Mein Weltbild te promoten.
Cliteurs laatste bijdrage is gedateerd 10 augustus 2004, en is helemaal onderaan het bestandje te vinden.
Ik dank Paul Cliteur voor zijn openheid.
Maria Trepp M.Trepp@wanadoo.nl
Ook de alternatieve Cleveringalezing 2004 gaat over Paul Cliteur zie www.passagenproject.com/cleveringa.html
Zie ook De Burke Stichting en de Universiteit Leiden www.passagenproject.com/conservatisme.html
In het volgende
worden Cliteurs boeken Moderne
Papoea’s (M P), Tegen de decadentie (Tdd) God houdt
niet van vrijzinnigheid (Ghnvv) en recente krantenartikelen
besproken.
Uitgangspunten: het
wereldbeeld van Maria Trepp versus het standpunt van Paul Cliteur
Monocultuur;
islamofobie en stigmatisering
Referentie aan de
nazi-cultuur
"Culturele
superioriteit” en sociaaldarwinisme
Vrijheid van
meningsuiting en stigmatisering
Paul Cliteurs reactie
van 10 augustus
Maria Trepp:
Ik vind een debat alleen maar interessant, als je het met de ander ook op bepaalde punten eens kan zijn. Ik ben het eens met Paul Cliteur,
Dit zijn de overeenkomsten in de visie van mij een Paul Cliteur.
Nu de verschillen:
Ik ben het oneens met Cliteur als hij aan het denken van Frederik de Grote (een heerser die verantwoordelijk is voor drie aanvalsoorlogen en een denker die voor het verlichte absolutisme staat), namelijk dat iedereen op zijn eigen manier zalig moet kunnen worden, de voorkeur geeft voor Kants echt verlichte, niet alleen verlicht-absolutistische essay Beantwortung der Frage was ist Aufklärung (M P p. 20.) Cliteur heeft gelijk, dat Frederik de Grote de islam naast het christendom min of meer gelijkberechtigd liet gelden, en in die zin een positief voorbeeld kan zijn (Cliteur schrijft zelf, M P p 157: “ Frederik wilde alle religies op voet van gelijkheid met elkaar behandelen”- maar juist in dat opzicht is Cliteur zelf geen opvolger van Frederik.
Cliteur: Om wille van de tijd laat ik
exegetische kwesties buiten beschouwing. Dus: wat zegt Frederik de Grote? Wat
zegt Camus?
Maria Trepp: Ik verwacht niet, dat je op alles
ingaat, wat ik schrijf. Ik moest lachen, toen ik zag, dat je mijn manier van
werken als “exegetisch” beschrijft. Daar heb je zeker gelijk in ( zie ook mijn
karikaturale zelfbeeld in de figuur Mara Tepp in mijn Universiteitsatire De
ontdekking van de hel, scène Muttertag www.passagenproject.com/ontdek1.html
)
Wat Frederik de
Grote versus Kant aangaat: dit is voor mij een zeer belangrijke kwestie, omdat
het de kern raakt van de vraag: wat is verlichting en en wat willen met de
verlichting. Ik zal daar nog meer op
ingaan, als ik alle drie boeken gelezen heb.
Cliteur: OK.
Maria Trepp: Ik ben het niet eens met Cliteur, dat een paradox een maar schijnbare tegenstelling is (M P, p. 20). Met deze opvatting staat Cliteur in de aristotelisch-rationalistische traditie, die gelooft, dat alle paradoxen uiteindelijk oplosbaar zijn. Ik vat de mens en de wereld met u.a. Camus en de hele Pascal-traditie als absurd op. Cliteur citeert Camus met toestemming (M P, p. 36), maar verdraait Camus’ denken in zijn tegendeel. Ten eerste komt het citaat dat Cliteur gebruikt (dat de vraag naar de zelfmoord een filosofische vraag is) niet uit Camus’ essay Le mythe de Sisyphe, maar uit L’absurde en le suicide en ten tweede (is dit de reden waarom Cliteur de verkeerde essay aangeeft?) is Camus’ opvatting over het thema “Blijven leven en niet zelfmoord begaan” Cliteurs Camus-interpretatie (“Blijven leven is een beantwoording van de vraag wat de zin van het leven is”) diametraal tegengesteld: Camus zegt in zijn essay over de suicide, dat veel mensen geen suicide begaan, omdat hun lichaam niet dood wil, en ze de dood dus uit lichamelijke redenen uitwijken, of omdat ze zich illusies maken over een leven na de dood dat door en suicide in gevaar wordt gebracht, of dat zij blijven. leven door op kunstmatige manier het leven een zin te geven, en zo eigenlijk het leven verraden.[1] Naar Camus is zingeving zonder erkenning van het onoplosbaar paradoxale en absurde van het bestaan verraad. Voor Camus zou Cliteur een verrader zijn.
Cliteur meent (met Epicurus) dat men niet bang voor de dood hoeft te zijn omdat de dood niets is, en “waar niets is, is ook geen reden voor angst” (Ghnvv p 160) . Zo spreekt een stoïsche rationalist. Ik daarentegen voel me bij de existentialisten thuis. Mijn doen en laten is een soms vrolijk en soms vertwijfeld vermijden van het niets, van stilstand, leegte, dood. Niet alleen ben ik zeer bang voor het Niets, en heb ik daarom in de inleiding van mijn wetenschappelijk werk (www.passagenproject.com/einleitung.html ) mijn eigen horror vacui uitgelegd (als een belangrijke reden met het project door te gaan en niet te promoveren); ik zie ook om mij heen veel mensen, die waanzinnig bang lijken te zijn voor het niets. En dus altijd hektisch aan het babbelen, eten, drinken of werken zijn en vaak om elke prijs leuk leuk leuk bezig te zijn. Er moet iets gebeuren, dat is wat bijna iedereen drijft. Maar de angst is ons allemaal toch nog te zeer aan te zien en te voelen. En trouwens, waarom zouden we nog bang voor de islam te hoeven zijn als we niet bang voor de dood zijn?
We zijn bang voor de islam en voor de dood, maar onze taak is het deze angst niet groter te laten worden dan nodig, en de irrationale aandelen van de angsten te overwinden .
Ik ben het weliswaar eens met Paul Cliteur, dat Socrates een voorbeeld is in zijn manier een open een rationele discours te voeren, in dialoog met gewone mensen. Maar ik ben het ook eens met Nietzsche, die een te ver doorgevoerd socratisch rationalisme bekritiseerd, en die om een (socratische) erkentenis vraagt, die zo ver doorgaat tot dat zij een “tragische Erkenntnis “ wordt ”die als Schutz und Heilmittel die Kunst braucht” ( Die Geburt der Tragödie, p 118)
Ik vind bij Cliteur een aantal
Nietzsche-citaten, die bij mij de indruk wekken, dat Cliteur Nietzsche –vriend
is ( M P, p 74; Ghnvv p170) . Dat ben ik ook (al ken ik een paar
van Nietzsches problematische schriften niet en ben ik het totaal oneens met de
sociaaldarwinistische Nietzsche-receptie van de nazi’s ). Vooral houd ik van de
vroege Nietzsche, van de Nietzsche van de Fröhliche Wissenschaft- mijn
wetenschappelijk werk staat uitdrukkelijk in de traditie der fröhlichen
Wissenschaft.
Maria Trepp: " Jij drukt in Moderne Papoea’s een duidelijke wens uit, dat we ons in de richting van een monocultuur moeten ontwikkelen. Als de monocultuur de "kern van de cultuur" vormt, dan wil je dus een inkrimping: dat noem ik bekrompenheid en angst. De islam wekt angst, zoals je ook zelf schrijft. In die zin is het eerlijk dat je jezelf "islamofoob" durft te noemen. Maar ik vind, en dat geldt voor het privèleven net als voor het openbare leven, dat het de voorkeur verdient, jezelf niet van angsten te laten domineren. Iedereen is bang voor het onbekende en vreemde. Door de aanslagen en de dreiging van nieuwe aanslagen is het natuurlijk, dat men in het westen meer bang is geworden voor de islamitische cultuur. Er bestaat een reële dreiging. Het is geen schande om bang te zijn, maar het is laf bij zijn angst te blijven staan. Het deugt niet, trots te roepen: "Ik ben bang! Klaar!" Wat je je vianden, de moslims, verwijt, namelijk een cultuur van angst te zijn, dat wil je en zoek je in feite zelf!
Cliteur: Nee je kunt inderdaad niet zeggen: bang, dus klaar. Maar dat wil ik ook niet doen. Ik heb alleen stelling willen nemen tegen de mijns insziens gemakzuchtige vaststelling dat standpunten die door angst worden ingegeven illegitiem zouden zijn. Soms is angst heel rationeel. Angst voor tijgers is heel rationeel. Angst voor nazisme ook.
Maria Trepp: Als een culturele vooruitgang überhaupt mogelijk is, dan is
deze mogelijk doordat individuen en samenlevingen goed leren omgaan met hun
angsten. Je citeert zelf in Moderne Papoea’s een aantal islamitische
vrijdenkers. Het is dus mogelijk, vanuit een islamitisch achtergrond een
vrijdenker te worden. De islam is dus niet alleen maar angstwekkend, er komen
namelijk ook vrijdenkers uit voort.
Cliteur: dat is waar, hoewel natuurlijk de vraag blijft in hoeverre die "islamitische vrijdenkers" echt nog moslims zijn. De opgevoerde term is geijkt door HP/De Tijd. Men voert dan een paar mensen op, zoals Ellian, Hirsi Ali, Bouazza en anderen die komen uit een islamitische cultuur, maar die bij die cultuur grote vraagtekens zijn gaan stellen. Sommigen van die mensen noemen zich ook niet meer moslim, immers zij verklaren zich atheist.
Maria Trepp: Vaak wordt gezegd ( in jouw boeken heb ik tot nu toe daarover nog niets gevonden), dat een van belangrijkste verschillen tussen de islam en het christendom is, dat het christendom de secularisering van begin af aan in zichzelf heeft mee gedragen, maar dat de islam niet tot secularisering in staat is. Dat is volgens mij niet waar. Er zijn vrijdenkers uit de islamitische cultuur voortgekomen, en omgekeerd zijn er nog steeds veel christen-fundamentalisten te vinden, dus ook de christelijke secularisering is nog lang niet voltooid.
Cliteur: Ik wil
niet zeggen dat het christendom vanaf het begin de secularisering heeft
meegedragen. Wat je wel vaak hoort (onder andere vind je het bij Bernard Lewis
in The Crisis of Islam) dat het christendom zich ontwikkelde in het Romeinse
Rijk en dus belang had bij een scheiding van kerk en staat. Voor de islam geldt
dat niet. Mohammed was niet alleen een geestelijk, maar ook een politiek
leider. Vandaar dat men geen behoefte had aan de scheiding van kerk en staat.
Een ander punt is de stagnatie van de islamitische cultuur rond de 12e
eeuw. Dat is een punt dat veel stof heeft doen opwaaien. Je vindt het in 1883
al bij de oriëntalist Ernest Renan: Renan, Ernest, “L’islamisme et la science”,
1883, in: Ernest Renan, Discours et Conférences, Sixième édition,
Calmann-Lévy, Paris 1887, pp. 375-409.
De discussie over de achterlijkheid van de
islamitische beschaving is heel oud. Het is een onderwerp dat tegenwoordig
geheel in een politiek vaarwater is gekomen. De vraag naar de waarde, de boven-
en ondergeschiktheid of in gelatiniseerde vorm: de superioriteit en
inferioriteit, van een beschaving kan tegenwoordig niet gesteld worden zonder
dat daaraan een verzuchtig vooraf gaat: “waarom zou je je daarmee
bezighouden?”. Werkt het stellen van die vraag niet nodeloos stigmatiserend ten
aanzien van mensen die zich in die cultuurkring bevinden? Wat heb je eraan om
een superieure en inferieure cultuur aan te wijzen? Zou het niet erg gevaarlijk
zijn? Immers voor je het weet heb je een rechtvaardiging gegeven voor militaire
interventie door zogenaamd superieure culturen in inferieure culturen. Wie zit
daar op te wachten?
Ik denk dat al die vragen van een passend antwoord kunnen worden
voorzien. Een deel van het antwoord is ongetwijfeld dit. Je moet je met
die superioriteits- en inferioriteitsproblematiek bezighouden omdat culturen,
net als individuele mensen, zich bepaalde idealen voorhouden. Als individueel
mens kan je je voornemen een “gentlemen” te worden in plaats van een barbaar.
Maar ook een hele cultuur kan zich voornemen een “gentlemen” te worden. Wij
hebben daarvoor ook allerlei normen ontwikkeld. Zo spreken we van “democratie”,
“rechtsstaat” en “good governance” om goede politieke culturen van verkeerde
politieke culturen te onderscheiden.
Cliteur: Op dit
moment wordt een discussie gevoerd over de vraag of Turkije deel kan uitmaken
van de Europese Unie. Nee, zeggen sommigen wat het voldoet niet aan de
maatstaven van rechtsstatelijkheid, democratie en goed bestuur. Ik wil hier
niet aan de orde stellen of dat juist is. Waar het mij om gaat is de vraag op
zichzelf: als men een toelatingsbeleid hanteert, dan doet men dat op grond van
bepaalde criteria. En het hanteren van die criteria vooronderstelt een waardeoordeel.
Een waardeoordeel vooronderstelt dat men zegt: “dit is slecht, dit is beter,
dit is goed en dit is excellent”.
Maria Trepp: Turkije
is nou juist HET voorbeeld dat binnen de islamitische wereld de moderne
scheiding van kerk en staat mogelijk is.
Cliteur: precies,
daar ben ik ook erg blij mee. Net als met die uitspraak van het Europees Hof
van de rechten van de mens van gisteren (29.6).
Paul Cliteur: “Ernest
Renan deed dat [over dit controversiële thema van de superieuriteit
schrijven, M.T] in 1883 tijdens een
lezing aan de Sorbonne. Hij zei toen dat ieder ontwikkeld mens duidelijk kan
vaststellen dat de islamitische wereld in een inferieure positie is komen te
verkeren. “Toute personne un peu instruite des choses de notre temps voit clairement
l’infériorité actuelle des pays musulmans, la décadence des États gouvernés par
l’islam, la nullité intellectuelle des races qui tiennent uniquement de cette
religion leur culture et leur éducation.”[2]
Iedereen die wel eens in Afrika geweest is of in de Oriënt, zegt Renan, moet
onder de indruk zijn van de factoren die daar een een zekere geborneerdheid
hebben doen ontstaan. Het is in ieder geval een cultuur die totaal gesloten is
voor wetenschap, niet in staat om zich open te stellen voor nieuwe ideeën
(“incapable de rien apprendre ni de s’ouvrir à aucune idée nouvelle”).[3]
In feite is het
opstel van Renan uit 1883 een prelude op de vraag die Bernard Lewis in 2002 aan
de orde zal stellen onder de titel “What went wrong?”[4]
en even daarvoor, in 1990, als “The Roots of Muslim Rage”.[5]
Wat is misgegaan in die cultuur?
Met
dat woord “misgegaan” is al aangegeven dat het eens goed ging met die
islamitische cultuur. Van de Afrikaanse cultuur kan je niet eens de vraag
stellen “Wat ging mis?”, want het ging nooit goed. Voor de islamitische cultuur
daarentegen geldt dat deze een veelbelovende ontwikkeling doormaakte, maar
stagneerde. Renan zegt: “Cette civilisation musulmane, maintenant si abaisée, a
été autrefois très brillante.”[6]
De islam had wetenschappers, filosofen en domineerde eeuwenlang de cultuur van
het christelijke westen.
Renan gebruikt in
dat kader ook het woord “superieur”.. De islamitische cultuur was superieur aan
die van de christelijke wereld: “On peut même dire que, pendant ce temps, le
monde musulman, a été supérieur, pour la culture intellectuelle, au monde
chrétien.”[7]
Waarom is dat nu niet meer zo? Wat ging mis? Renan geeft het volgende antwoord:
“A partir de son initiation religieuse, vers l’âge de dix ou douze ans,
l’enfant musulman, jusque-là quelquefois assez éveillé, devient tout à coup
fanatique, plein d’une sotte fiérté, de posséder ce qu’il croit la vérité
absolue, heureux comme d’un privilège de ce qui fait son infériorité. Ce fol
orgueil est le vice radical du musulman.”[8]
Renan vergelijkt hier een cultuur met het menselijk individu. En hij zegt dat
de islamitische cultuur eigenlijk is blijven hangen in de kindertijd. Het kind
zou tien of elf jaar zijn geweest. Toen werd de islam fanatiek, overmatig
trots, men geloofde de waarheid in pacht te hebben. En dat alles bracht de
islam ertoe te geloven in de eigen superioriteit, maar juist dát veroorzaakte
nu juist inferioriteit.
De moslim ontwikkelde een diepe minachting voor onderwijs, voor wetenschap,
voor alles dat de kern vormt van de Europese geest (“profond mépris pour
l’instruction, pour la science, pour tout ce qui constitute l’esprit
européen”).[9]
Een van de punten waarop de islamitische
beschaving zich onderscheidt is dat de godsdienstige Arabier zich ermee
tevreden stelt de dingen te verklaren door te verwijzen naar een goddelijke
schepper. “L’Arabe religieux se contente, pour l’explication des choses d’un
Dieu créateur, gouvernant le monde directement et se révélant à l’homme par des
prophètes successifs.”[10]
Er triomfeerde in de islamitische wereld een geest die tegengesteld was aan die
van het vrije wetenschappelijke onderzoek (“la libre pensée”).[11]
Er waren ook tegengestelde tendenzen. Sommige “actieve geesten” - zoals Renan
ze noemt - als Alkindi, Avicenna en Alfarabi begonnen te speculeren over de
eeuwige problemen die de mens zichzelf kan stellen zonder die definitief te
kunnen oplossen. (Daar heb je de vrijdenkers waarover jij spreekt). Men noemde
die mensen filsouf (philosophos). Maar het woord filsouf werd ook al snel opgevat als een
twijfelachtige kwalificatie, als iets dat wezenlijk vreemd was aan de islamitische
beschaving.[12] Niettemin
brachten die filosofen de cultuur van de 12e eeuw naar een
hoogtepunt die sinds de antieke oudheid niet meer was gehaald.[13]
Die 12e eeuw was echter ook een omslagpunt. Daarna maakte de
westerse cultuur een grote opgang: “notre Occident était en plein éveil”, zegt
Renan.[14]
Abelard introduceerde een “rationalisme renaissant” en Europa begon aan een
spectaculaire evolutie waarvan de laatste fase zou worden gekenmerkt door wat
Renan noemt “la complète émancipation de l’esprit human”.[15]
Vanaf het begin van de 13e eeuw liet het Westen zijn inferieure
status achter zich waardoor het gedurende vier of vijf eeuwen gekenmerkt was.
De islamitische landen vielen toen in een diep ravijn: “les pays musulmans
s’abîment dans la plus triste décadence intellectuelle”.[16]
De opgang van het
Westen en neergang van het Oosten kan ook worden geillustreerd aan de hand van
de receptie van de grote filosoof Averroès. In de Arabische landen raakte
Averroès in vergetelheid, precies op het moment dat zijn zegetocht in het Westen
begon. Na 1200 is er bijna geen Arabische filosoof meer van naam die aanhang
vindt in de islamitische wereld.
Nu was de filosofie
altijd al een bedreigde discipline in landen die door de islam worden
gedomineerd, maar na 1200 is de wijsbegeerte nagenoeg verdwenen.
Ook
op politiek terrein is de invloed van de islam fnuikend geweest. Waarom? De
islam gaat uit van een onlosmakelijk verband van het tijdelijke met het
spirituele.[17] In de
eerste helft van de Middeleeuwen heeft de islam de filosofie geduld. Niet omdat
men daarvan heilzame invloed verwachtte, maar omdat men niet in staat was haar
te onderdrukken. Maar toen de islam sterk genoeg was heeft zij alles
vernietigd. De religieuze terreur was aan de orde van de dag. “L’islam a été
libéral quand il a été faible, et violent quand il a été fort.”[18]
Het
is daarom ook onverantwoord om de islam te prijzen die de wetenschap en
filosofie toestond. Dat deed de islam uit zwakte. Het is net zoiets als aan de
theologen de ontdekkingen van de moderne wetenschap toeschrijven. Die
ontdekkingen zijn niet gedaan dankzij de theologen, maar ondanks de
theologen.
Cliteur: Renan formuleert het als volgt:
“Faire honneur à l’islam d’Avicenne, d’Avenzoar, d’Averroès, c’est comme si
l’on faisait honneur au catholicisme de Galilée.”[19]
De westerse theologie is ook niet minder onderdrukkend geweest dan de
islam. Het verschil is alleen dat de westerse theologie geen beslissende greep
heeft kunnen krijgen op het vrije denken. Zij is er niet in geslaagd de moderne
geest definitief te verstikken. Slechts in één land is de theologie erin
geslaagd een nagenoeg complete stagnatie van het vrije denken te
bewerkstellingen, namelijk Spanje. Daar heeft een afschrikwekkend systeem van
onderdrukking de wetenschappelijke geest geheel vernietigd. Wat in Europa dus
alleen in Spanje gelukt was, was de dominante lijn in de islamitische wereld.[20]
Wat
de moslim kenmerkt, zegt Renan, is een grenzeloze haat voor de wetenschap. Het
is de overtuiging dat al het vrije onderzoek nutteloos is. De
natuurwetenschappen worden gezien als ijdele pogingen om God te beconcurreren.[21]
Wanneer men daar eenmaal van uitgaat, wanneer men de wetenschap ziet als een
soort inbreuk op de rechten van God dan ontstaat vanzelf een luiheid van geest.
Renan contrasteert de verdeeldheid die de religies brengen met de eenheid van
de rede: “au fond, il n’y a qu’une raison”.[22]
Hij heeft nog het meeste vertrouwen in de “choc pacifique des idées” niet in
“des révélations dites surnaturelles”.[23]
Het behoeft nauwelijks betoog dat wanneer men het soort dingen schrijft als Renan, men tegenwoordig zou stuiten op zware weerstand. Zijn opvattingen zouden als onbetamelijk en door de politiek correcte elite van Wallage tot Cohen ongetwijfeld als discriminerend en door Marcel van Dan zelfs als racistisch worden omschreven. Geheel ten onrecht natuurlijk, maar dat is wel een realistische inschatting van de wijze waarop zijn werk tegenwoordig zou worden gerecipieerd. Men zou het discriminerend achten jegens de moslims.
Renan geeft overigens ook zelf al een antwoord op dat soort kritiek. Hij zegt: het zijn de moslims zélf die het meest het slachtoffer zijn van de islam. De moslim emanciperen van zijn religie is de beste dienst die men hem kan bewijzen. (“Émanciper le musulman de sa religion est le meilleur service qu’on puisse lui rendre.”)[24] Renan zegt de dingen die hij zegt dus niet omdat het hem zou ontbreken aan respect. Want boven alles staat de vrijheid en het respect voor de mens, zegt hij (“la liberté et le respect des hommes”).[25] We moeten de religie ook niet proberen te vernietigen, voegt hij daaraan toe. Maar we moeten deze ook niet stimuleren of deze verdedigen tegenover degenen die zich daarvan willen bevrijden. Dát is de opdracht waarvoor we staan.
Maria Trepp:Ik heb Renan niet gelezen, en kan over
hem niet al te veel zeggen. Maar twee dingen vind ik belangrijk in jouw op
Renan gebaseerde argumentatie:
Cliteur Ik
ga ervan uit dat principieel niet zulke verschillen bestaan tussen islam en
christendom. Alleen heeft de islam in een bepaalde fase van haar ontwikkeling
stagnatie doorgemaakt. Hoe dat komt is heel moeilijk te bepalen.
Maria Trepp: Ik wil hier ook nog letterlijk uit het
artikel door jouw aangehaalde artikel van Bernard Lewis citeren (www.theatlantic.com/issues/90sep/rage.htm
“Islam is one of the world's great religions. Let me be explicit
about what
I, as a historian of Islam who is not a
Muslim, mean by that. Islam has
brought comfort and peace of mind to
countless millions of men and women.
It has given dignity and meaning to drab and impoverished lives.
It has
taught people of different races to live
in brotherhood and people of
different creeds to live side by side in
reasonable tolerance. It inspired
a great civilization in which others
besides Muslims lived creative and
useful lives and which, by its
achievement, enriched the whole world. But
Islam, like other
religions, has also known periods when it inspired in
some of its followers a mood of hatred and violence. It is our
misfortune
that part, though by no means all or
even most, of the Muslim world is now
going through such a period, and that
much, though again not all, of that
hatred is directed against us.
We should not exaggerate
the dimensions of the problem. The Muslim world
is far from unanimous in its rejection
of the West, nor have the Muslim
regions of the Third World been the most
passionate and the most extreme
in their hostility ...”
[....] THE movement nowadays
called fundamentalism is not the only Islamic
tradition. There are others, more
tolerant, more open, that helped to
inspire the great achievements of
Islamic civilization in the past, and we
may hope that these other traditions
will in time prevail. [...] ”
Jij vat dit
artikel verwrongen samen in Moderne Papoea’s: “De islam wordt - volgens
Lewis – geleid door rancune en angst” (p 182). Jij geeft hiermee het gedifferencieerde
standpunt van Lewis verkeerd weer.
Belangrijk voor
mij is: een algemene en starre islamofobie zit een vruchtbare maatschappelijke
ontwikkeling in de weg. Individuen en samenlevingen moeten ernaar streven
angsten zo specifiek mogelijk te formuleren.
Cliteur: goed, angst voor drie dingen:
1.
ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen
2.
ongelijke
behandeling van homosexuelen en heterosexuelen
3.
ongelijke
behandeling van gelovigen en ongelovigen.
Op alle drie de
punten scoort de islamtische cultuur slecht. Is dat te wijten aan het “wezen”
(whatever that may be) van de islam? Wat ik wel weet dat het een basis heeft in
de koran (misschien met uitzondering van de homosexualiteit. De islamitische
cultuur heeft een grote afkeer van homosexualiteit, maar er zijn mij geen
koranpassages bekend waarin wordt opgeroepen tot steniging het afkappen van
handen en voeten van homosexuelen, zoals die wel te vinden zijn over
ongelovigen.
Is het
rationalistisch “fobisch” te zijn over de genoemde onderwerpen? Nou, niet
pathetisch fobisch zou ik zeggen, maar een beetje bezorgdheid is niet zo
slecht.
Maria Trepp: Als je het zo formuleert ben ik het mee
eens. Maar niet vergeten, dat ook veel christenen homofoob en vrouwvijandig
zijn. Om voor de rechten van vrouwen en homoseksuelen uit tekomen is het niet
nodig een islam-discussie te beginnen.
Trouwens: waarom verdedig je de uitspraak van de imam dat
homoseksualiteit een ziekte is (M P, p 170). Ik deel je mening dat de
vrijheid van meningsuiting ook voor deze imam geldig is, maar daarom zou ik hem
nog niet verdedigen. Jij vindt het, anders dan ik, prima, dat groepen in de samenleving gestigmatiseerd worden ( Tdd,
p 41) . Ik vind het zeer onwenselijk dat de imam homoseksuelen als ziek
stigmatiseert, vooral gezien de geweld van islamitische jongeren tegen
homoseksuelen. Jij maakt een merkwaardige logische draai, doordat je ziekte en
liefdadigheid aan elkaar koppelt, en je verklaart de uitspraak van de imam dus
min of meer als een verkeerd begrepen oproep tot liefdadigheid (M P, p
41). Je weet zelf heel goed, dat dit niet het geval is. Je zegt bang voor de
islam te zijn vanwege de ongelijke behandeling van homoseksuelen en
heteroseksuelen; maar je verdedigt de uitsprak van de imam. Ik vind de
uitspraak van de imam gevaarlijk, onwenselijk en stigmatiserend, ook al vind ik
dat hij het recht van vrije meningsuiting heeft. Ik weet en hoop dat de
tendensen tot secularisering in de islam tot een grotere vrijheid voor vrouwen
en homoseksuelen zullen leiden. Maar de islamitische secularisering wordt
bedreigt, als men een te generele en te weinig specifieke kritiek aan de islam
oefent. We moeten naar mijn mening specifieke kritiek aan specifieke acties en
personen oefenen, en juist niet een genereel vage kritiek aan een religie,
zoals jij het wilt (vergelijk ook je artikel Zelfcensuur over islam werkt
averechts, NRC 7.7.2004; en de lezersreactie van Bert de Vries (en zijn
verwijs naar Karen Armstrongs boek : De strijd om God) , Religiekritiek,
NRC, 9.7.2004)
Cliteur: [ Ik ben het] helemaal mee eens [dat we onze angsten specifiek moeten fomuleren]. Maar Renan is geen islamofoob (whatever that may be). Hij stelt iets aan de orde wat we niet helemaal kunnen miskennen.Evenmin als wat Bernard Lewis zegt en eigenlijk ook wat Pim Fortuyn aan de orde stelde. En ja, daar gaan we natuurlijk weer, ik zit weer in het gezelschap van een Berlucsoni, maar ik kan er ook niets aan doen. Ook Fortuyn had hier een punt. Hij herhaalt eigenlijk het standpunt van Renan, maar in meer ongezouten bewoordingen. Overigens vind je het ook bij Mohammed Arkoun en allerlei liberale moslims.
[...] Volgens mij is het niet juist dat ik de islam niet als gelijkberechtigd naast het christendom laat staan. Ik zeg alleen wel dat de islam, net als het christendom, bekritiseerd mag worden. Het is ook het goed recht van een ieder een religie, net als een politieke ideologie, te kritiseren. Het is ieders goed recht om “anti-islam” te zijn zoals men ook anti-liberaal of anti-christelijk mag zijn. Het is zelfs denkbaar dat je zegt “ik ben bang voor de islam”. Dan ben je “islamofoob”, maar daarvoor kunnen even goede redenen bestaan als voor “christo-fobie”.
Maria Trepp: Voor mij geldt: ik ben niet in het algemeen bang voor de islam. Ik ben bang voor militante fundamentalisten uit alle religies. Dus ben ik bang voor een militante en racistische zionist en monoculturalist als Max Nordau[26] bang voor een de mensenrechten niet respecterende christen als Bush en bang voor de moslimgek Bin Laden (ik zeg niet dat deze drie op één lijn staan wat hun gevaarlijkheid aangaat. Ik zeg alleen dat ik redenen zie bang te zijn voor alle drie).
Cliteur: Dat zou kunnen
zijn, maar ik beperk mij nu even tot de islam en de vraag of angst daarvoor
rationeel kan zijn. Natuurlijk kan je ook heel geheel terecht angst hebben voor
vele andere zaken.
Maria Trepp: Jouw metafoor van Moderne Papoea’s voor
de door jouw gewenste (relatieve, maar toch) monocultuur is voor mij op een
interessante manier ook aan het thema angst gekoppeld. Mijn vader was een
Lutherse theoloog en heeft onderwezen aan een opleiding voor missionarissen die
naar Papoea Nieuw-Guinea werden uitgezonden. Ik herinner me dat ik hem vroeg,
waarom de Papoea’s dan gemissioneerd moesten werden. Hij antwoorde dat de
Papoea’s zeer bang zijn voor elkaar, en uit angst voor elkaar altijd weer een
ander dorp aanvallen. Als ze christenen worden, hebben ze veel minder angst en
vermoorden elkaar niet meer.[27]
Cliteur: Ik vind het aardig dat je doorgaat op het idee van de Papoea.
Maria Trepp: Moderne Papoea’s is de titel die jezelf aan je boek gegeven hebt, dat maakt deze metafoor belangrijk; een het is een metafoor, die je zelf in de inleiding karakteriseert als de wens naar een (meer) gesloten cultuur (p 11/12). Ik vind jouw metafoor van de Papoea treffend en vruchtbaar.
Wat het missioneren aangaat: inmiddels heeft de kerk het simplistische missioneren opgegeven. Maar mij is bijgebleven dat de Papoea-cultuur een cultuur van angst is. Zullen we nu echt uit angst voor de islam angstige Papoea’s worden? Dat is de verkeerde weg. Zoals je zelf zegt: "De ontwikkeling van een angstreligie naar een morele religie kan men ook als vooruitgang beschouwen." (M P, p 78) De omgekeerde weg is een achteruitgang.
Maria Trepp: Ik ben het oneens met Paul Cliteur, dat we ons in de richting van moderne Papoea’s moeten ontwikkelen, wat voor hem inhoudt: in de richting van een gesloten cultuur (M P, p. 11/12; p 17; vergelijk ook pagina 25: het bewust (?) ontbrekende “anderzijds” ). Cliteur heeft gelijk, dat niet alle culturen gelijkwaardig zijn. De cultuur van de Papoea’s is weliswaar, wat de Papoea’s zelf betreft, buiten iedere kritiek te plaatsen, maar de moderne Papoea als een positief voorbeeld voor onze westerse samenleving is een terugval in barbarij. Cliteurs rationele versie van het verlichtingsdenken zie ik als een goed voorbeeld van wat Adorno beschrijft als de tendens van het rationele verlichtingsdenken terug te vallen in barbarij. (zie hiervoor Dialektik der Aufklärung)
Paul Cliteur: De moderne Papoea is natuurlijk een “beeld”. Ik bedoel niet dat mensen weer met speren moeten gaan rondlopen of hun gezicht beschilderen. Ik gebruik het beeld om aan te geven dat we een bepaalde “monoculturele kern” van onze cultuur moeten onderschrijven om diversiteit mogelijk te maken. Omdat de papoeacultuur een monocultuur was spreek ik de wens uit dat we weer wat meer “moderne papoea’s” zullen worden.
[....] ik wil dan nog wel dit aantekenen dat het bij de monocultuur gaat om een "kern", om een klein deel van de cultuur dus. We moeten als monocultuur onderschrijven: het gelijkheidsbeginsel, de vrijheid van meningsuiting, de andere vrijheidsrechten. En op basis van die monoculturele kern kan dan pluriformiteit ontstaan. De multiculturaliteit is dus alleen maar mogelijk dankzij de monoculturele kern die het vreedzaam verkeer tussen verschil regelt.
Maria Trepp: Ik zie jouw metafoor van de
Papoeacultuur en jouw streven naar een monocultuur juist niet als een streven
naar een “gentlemen”-cultuur, maar als een streven naar barbarij.
Cliteur: ok, streven naar barbarij. Het is maar waar je het accent
op legt. Ik leg ten aanzien van de Papoeacultuur alleen het accent op een
eenheid, het monoculturele. Verdere associaties zou een lezer niet moeten
hebben.
Maria Trepp: Ik
heb uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het gedachtegoed van de
monoculturalist en prefascist Max Nordau (zie www.passagenproject.com/inhalt.html zie ook de in mijn inleiding genoemde
hoofdstukken op de site). Max Nordaus gedachtegoed komt sterk terug in Hitlers
denken. Frederic Spotts schrijft in Hitler and the power of aesthetics
(2002, p 24):„In Hitler‘s speeches, as in his private remarks, the concepts of
Nordau [...] can be heard.“ Jij stelt jezelf bewust in de traditie van Max
Nordau, al met de titel Tegen de decadentie (Nordaus werk Entartung is
een van de belangrijkste werken van de decadentie-kritiek), maar ook door je
pleidooi voor stigmatisering van groepen mensen ( Tegen de decadentie p
41); dat vindt Nordau ook ontzettend belangrijk. Je zegt zelf in je voorwoord
van Tegen de decadentie, dat het woord “decadentie” naar de
schilderkunst van het einde van de negetiende eeuw verwijst- en deze schilders
waren onder andere juist het doelwit van Nordaus stigmatiserende
decadentiekritiek. Net als bij Nordau is jouw decadentiekritiek ook bij vlagen
erg komisch, bijvoorbeeld als je zegt dat Piet Hein Donner himself als een decadent “onderuit ligt aan het
banket” (Tegen de decadentie p 83; dit citaat heeft een leuke plek
gekregen in mijn satire De ontdekking van de hel, scene Sufraggels,
waar Donner al eerder in voorkwam).
Het is mijn vaste en
stellige overtuiging dat het streven naar een monocultuur ( of naar een
gesloten cultuur) hetzelfde is als het streven naar barbarij, en dat in de
metafoor van de moderne Papoea het één ook niet toevallig samenvalt met het
ander.
Maria Trepp: Ik ben het oneens met met de manier waarop Cliteur de nazi-cultuur subtiel in een positieve samenhang noemt: hij zegt bijvoorbeeld, dat de nazicultuur ondanks hun zuiveringen geen monocultuur is geworden. Dit zegt hij om te suggereren, dat zuiveringspogingen toch nooit tot een zuivere cultuur leiden - en dus moeten kunnen - of wat is hier de bedoeling???? (M P, p. 17)
Cliteur: De bedoeling van de opmerking dat zelfs de nazicultuur geen monocultuur kan worden is aan te geven dat het streven naar een volledige verwerkelijking van een monocultuur onmogelijk is. Dus zelfs als je het zou wensen, dan lukt dat niet. Het is zelfs de nazies (die dat wilden) niet gelukt.
Maria Trepp: Op die manier word die nazi-cultuur tot voorbeeld. Naar jouw mening moeten we ons in de richting van een monocultuur bewegen, en dit kan geen kwaad omdat het zelfs bij de nazi’s niet gelukt is een monocultuur te creëren. Dus zijn voor jouw de nazi’s met hun streven naar een monocultuur geen afschrikwekkend voorbeeld van hoe het niet moet.
Cliteur: Nee, nee, ik wil twee dingen beweren. Eén: we moeten geen volledige monocultuur willen. Pluriformiteit en multiculturaliteit is mooi, maar kan alleen maar bestaan dankzij een monoculturele kern. Twee: zelfs als je een volledige monocultuur zou wensen, het kán gewoon niet. Kijk maar naar de nazies.
Maria Trepp: Het kan niet, inderdaad, en de nazi’s
hebben goed laten zien, wat gebeurt als je een monocultuur wel
nastreeft. Destructie van anderen, en, verbonden daarmee uiteindelijk ook:
zelfdestructie. In Moderne Papoea’s schrijf je ook over Eichmann. Je probeert hem (via een citaat van
Judith Boss) het kamp van de muliculturalisten en cultuurrelativisten toe te
rekenen (M P, p 55) Niet helemaal ongegrond, omdat je inderdaad kan
zeggen, dat hij in de eerste plaats,
zoals je zegt, een "conformistische man" was, die zich alleen maar
aanpaste op wat van hem verwacht werd. Je citeert Hannah Arendt, die erop heeft
gewezen, dat Eichmann zich buiten iedere morele dimensie heeft geplaatst. Maar
net zo veel of meer nog dan een culturrelativist was Eichmann een
monoculturalist. Hij haatte de joden niet op een persoonlijke of sadistische
manier, maar hij stond wel pal achter een Duitse monocultuur. Eerst werkte hij,
zoals Hans Mommsen in mijn uitgave van Eichmann in Jerusalem schrift (p
25) in samenwerking met de zionisten
aan een emigratie van de joden. Het was in eerste instantie voor hem niet
noodzakelijk dat de joden zouden worden uitgeroeid. Ze moesten weg, op de één
of andere manier; het maakte voor hem niet zo veel uit, hoe. Ook in Tegen
de decadentie schrijf je veel over Eichmann, p 155 ff, en je bent het niet eens met de vaak
gehoorde interpretatie, dat zijn handelen uitsluitend te verklaren is met
“Bevel is bevel”. Jij keert je ook
ertegen elke autoriteit af te wijzen. Bij het militir en de overheid is
gehoorzamheid belangrijk. Ik ben het in principe met je eens. Eichmann is niet
alleen een bevelsuitvoerder geweest; hij had een duidelijke filosofie, namelijk
het monoculturalisme. Het interessante aan Eichmann is voor mij dan ook niet
het “bevel is bevel”, maar het feit dat iemand, die psychiatrisch gezien
volledig in orde was, en ook geen persoonlijke haatgevoelens had jegens de
joden, toch de vernietiging heeft mogelijk gemaakt. Bij het beoordelen van wie
gevaarlijk is kan men dus niet altijd gaan naar duidelijk merkbare “gekheid” of
iets dergelijks. Wat ik wel mis in jouw betoog over Eichmann en het principe
“bevel is bevel”, dat is een pleidooi voor het kritisch denken en voor het
geweten. Een democratie heeft mensen nodig, die bijna altijd gehoorzamen - bijna
altijd. De uitzonderingen moeten door het kritisch denken gesteund worden, en
daarom is de door jouw gering geachte Kant met Was ist Aufklärung voor
mij toch de betere verlichter dan de door jouw geliefde Frederik de Grote (M P p. 20.)
Ik ben het ook oneens met je, dat het anti-islamisme beter met het anti-communisme en het antifascisme kan vergeleken worden, dan met het antisemitisme, omdat het om een afwijzing van een cultuur en niet een afkomst is (M P, p 47) De geschiedenis van het antisemitisme laat zien, dat de afwijzing van joden zijn oorsprong heeft in een mengeling van factoren, waarvan velen ook nu geldig zijn wat moslims betreft: afwijzing van hun religie; hun levensgewoonten; hun sterke onderlinge band; immigratie van arme mensen, die bovendien niet graag integreren in grote getallen. De holocaust is bovendien zonder een streven naar reinheid en monocultuur ondenkbaar.
Cliteur: Frits Bolkestein heeft wel eens het volgende opgemerkt. “Bijna iedereen is het erover eens dat het Athene van de vijfde eeuw en het pre-revolutionair Parijs van de achttiende eeuw hoogtepunten van de westerse beschaving waren. En zodra het woord ‘hoogtepunt’ valt, heeft men het over rangorde. Door een gelukkige constellatie van talenten en omstandigheden waren deze drie periodes brandpunten van intellectuele en artistieke creativiteit en staken zij uit boven wat eraan voorafging en wat erna kwam.”[28]
Deze nuchtere
observatie lijkt mij van belang. Het voert ook onvermijdelijk tot een oordeel
over superioriteit en inferioriteit. Als men dat als grond hanteert om bepaalde
landen buiten te sluiten moet men wel de pretentie koesteren dat de waarden van
een democratische rechtsstaat superieur zijn aan die van een dictatuur.
Natuurlijk voel ik
ook wel aan dat het vocabulaire van superieure en inferieure culturelen heikele
problematiek is die snel misverstanden kan oproepen. Voor je het weet schrijft
de burgemeester van Groningen stiekem briefjes naar de voorzitter van het college
van bestuur van de universiteit van Leiden dat de universiteit zich dient te
distantiëren van de rabiate opvattingen van Professor Cliteur. Maar als dat zou
gebeuren dan hoop ik dat de voorzitter van het college van bestuur antwoordt
dat de Leidse universiteit werkt onder het presidium libertatis. En dat de
vragen zoals hier gesteld belangrijk zijn. Ik hoop ook dat de voorzitter van
het college van bestuur er dan op zal wijzen dat dit onderwerp een zaak is
waarover gedacht en geschreven kon worden.
Maria Trepp: Ik ben het oneens met louw, dat de vergelijking tussen culturen onder de noemer “superioriteit” van beschavingen kan worden gemaakt (M P, p. 32). Waar het naar mijn mening om gaat: in welke samenleving worden de universele rechten van de mens het beste gerespecteerd? Naar deze maatstaf is de Nederlandse samenleving een zeer beschaafde samenleving, een in die zin ook een voorbeeld voor andere samenlevingen, (ook christelijke: kijk maar naar de VS), waar de mensenrechten minder gerespecteerd worden. Van “superioriteit” kan geen sprake zijn, omdat een schijnbaar qua mensenrechten “superieure” samenleving ook weer een ontwikkeling mee kan maken, waar het respect voor de mensenrechten achteruit gaat.
Cliteur: Er is een gemeenschappelijk vertrekpunt: een cultuur waarin de mensenrechten het beste worden gerespecteerd is verkieslijk boven een cultuur waarin dat niet of minder gebeurt. Er lijkt alleen een zekere huiver te bestaan voor de notie van "superioriteit". Ik hanteer dat woord in een neutrale betekenis. Een cultuur waarin mensenrechten worden gehanteerd is superieur aan een cultuur waarin dat niet gebeurt.
Maria Trepp: Woorden en begrippen hebben een geschiedenis en een context. "Superieur" staat me niet aan, ook al ben ik het met eens dat culturen zich in verschillende ontwikkelingsstadia kunnen bevinden en verschillen wat de mensenrechten aangaat.
Cliteur: Ah, maar dan heb je jezelf gecommitteerd aan de notie van beter en slechter en ik zie dan niet in waarom je bezwaren koestert tegen de notie van "superieur". Natuurlijk, ik begrijp wel waar dat vandaan komt. En ik geef ook toe dat ik graag noties gebruik die juist belast zijn. Ik doe dat om mensen te dwingen om na te denken. De term superieur doet natuurlijk denken aan: met de borst vooruit. Wij hebben het voor het zeggen. Het roept ook associaties op met "Deutschland über alles" en we zien de soldatenlaarsen al door de straten marcheren. Maar ik vind juist dat we ons in een academisch verhaal moeten bevrijden van gemakkelijke associaties en nuchter moeten redeneren. En dan denk ik dat als je het radicaal en postmodern waardenrelativisme niet wilt aanvaarden je jezelf moet oriënteren op de vraag: wat is goed, wat is beter en wat is het best (superieur)?
Maria Trepp: Ik heb nu gezien, dat je in je boek zelf aangeeft, uit welke context je het woordje "superieur" haalt: van Berlusconi. Maar Berlusconi is voor mijn geen positief voorbeeld, en voor mij staat hij ook niet, zoals voor jouw , voor vrijheid (M P , p 61) maar voor manipulatie en gevaarlijke macht –en mediaconcentratie. Een discussie over Berlusconi gaat te ver, maar ik wil alleen nog op een artikel in de NRC wijzen, waar de gevolgen van Berlusconis beleid voor de Italiaanse universiteiten worden beschreven: Luchtkasteel, NRC 7/8 juni 2003, p 39. "Superioriteit" is een statisch begrip, en culturen verschillen over de tijd in de mate waarin zij de mensenrechten respecteren. Maar als ik het begrip "superioriteit" zou gebruiken, dan is voor mij de Nederlandse samenleving superieur aan die van de Papoea’s.
Cliteur: Nog één opmerking over Berlusconi. Ik weet natuurlijk ook wel dat een verwijzing naar hem veel losmaakt. Maar ik zie het als een intellectuele oefening om dan juist mensen te laten erkennen dat hij op één klein puntje gelijk had. Het is ongelooflijk hoe weinig mensen dat kunnen.
Maria Trepp: Ja, het is belangrijk, het gemenschappelijke in het denken met anderen te kunnen zien. Maar als je een omstreden figuur als Berlusconi citeert en je jezelf in de denktraditie van hem plaatst ( M P, p 11) dan vind ik het belangrijk, dat je ook laat horen, op welke punten je jezelf van deze figuren distantieert.
Cliteur: ok - dat is gemakkelijk. Ik distantieer mij op alle andere punten van deze figuren. Ik wil ze ook helemaal niet salonfähig maken door iets aan te halen waarin zij gelijk hebben.
Maria Trepp: Fijn, nu nog vijf Ave Maria bidden, en ik ben helemaal tevreden. Of, nee wacht even... Ik heb een enorm probleem met het feit, dat je het idee van superieuriteit van culturen ( en “cultuur” en “religie” is voor jouw – terecht- bijna synoniem) aan een positieve waardering voor sociaaldarwinisme koppelt (M P p188) Ik zal jouw boek een je opstellen over het darwinisme nog nauwkeurig bestuderen. Volgens mij sta jij voor een sociaaldarwinisme tussen culturen en religies.
Maria Trepp: Ik vind dat het geen goed idee van je was, de problemen van het eenzame huiskonijn te bespreken, juist in een week waar nieuwe en zware mensenrechtschendingen door de VS bekend worden (Konijnen lijden in eenzaamheid, de Volkskrant 12.5.2004, p. 13). Niet alleen de inhoud van een artikel is belangrijk - ook de context.
Cliteur: Ik zie tussen aandacht voor dierenrechten en mensenrechten geen concurrentie. Je kunt het allebei doen. Je moet niet zeggen: “we gaan pas aan dierenrechten denken als de mensenrechten niet geschonden worden”... Op die manier moeten de dieren veel te lang wachten. En dat is unfair.
Antwoord: Ik vind de rechten van de dieren zeer
belangrijk, en ook zelfs het recht van het huiskonijn op een fatsoenlijk
bestaan (mijn buren maken het leven van hun konijn tot een feest, en dat
bewonder ik zeer). Maar elke bijdrage tot een discussie heeft een context. Het
artikel over de eenzaamheid van het huiskonijn
verscheen in de dagen toen de zware mensenrechtschendingen in Irak
bekend werden. Dit is op zijn zachts gezegd onvrijwillige komiek.
Cliteur: Ja, dat is waar, maar dat heb je
natuurlijk als schrijver niet in de hand. Je schrijft een stuk en tegen de tijd
dat het in de krant staat kan ergens een orkaan duizenden mensenlevens hebben
vernietigd. Deze actie over de huisdieren liep nu eenmaal toevallig
(georganiseerd door de Sophia-vereniging, een organisatie die zich inzet voor
dierenwelzijn waarbij ik betrokken ben).
Maria Trepp: Ik vind dat je veel te ver gaat, als je
argumenteert, dat men tegen het eten van dieren zou moeten zijn, als men tegen
de doodstraf is ( M P, p 135). Het doden uit straf is iets anders dan
het doden om te eten; en dieren zijn geen mensen. Ik kan een argumentatie tegen
het eten van dieren of voor dierenrechten accepteren, maar het eten en doden
van dieren is geen valid argument in de doodstraf-discussie. Jij bent zo
zuiver, wat de cultuur aangaat - maar in je argumentatie gooi je vrolijk dingen
door elkaar die niet bij elkaar horen: doodstraf, oorlog, dieren eten, pacificisme.
Het is heel goed mogelijk tegen de doodstraf te zijn, en toch in bepaalde
gevallen voor oorlog. De keten die jij probeert op te bouwen:
abolitionist=vegetarier=pacifist klopt niet. Er is geen noodzakelijke
verbinding tussen deze opvattingen. Je eist en rationalistische logica, die
niet bestaat, en die ook niet hoeft te bestaan. Maar ik geef je gelijk, dat de
“Gesinnungsethik” emotioneel en existentieel verankerd is. Ik wijs de doodstraf
af, en ik ben ook anders dan jij van opvatting, dat het goed is internationaal
ervoor te werven dat andere landen de doodstraf afschaffen, maar ik zeg niet,
dat ik mijn argumentatie rationeel bewijzen kan. Ik ben vast van overtuigd, dat
de kwaliteit van samenlevingen beter wordt, naarmate men humaner met elkaar
omgaat, en dat het ontbreken van de doodstraf een zeer goede indicator is van
een humane samenleving.
Je bekritiseerd
Amnesty International, een organisatie waarvan ik lid ben, en die ook actief
door het Passage(n) –project wordt gesteund ( zie
www.passagenproject.com/amnesty.html
en je zegt dat
een groot deel van de wereld stokdoof is voor de argumenten van Amnesty.(M P,
p 114) Impliciet zeg je dat de acties
van Amnesty geen verschil maken en zonder resultaat blijven. Amnesty is heel
goed in het werken op lange termijn. In mijn eigen omgeving heb ik de werkwijze
en het succes van Amnesty goed leren kennen: mijn oom Heinz Brandt kwam door de
interventie van Amnesty International vrij na drie jaren DDR-gevangenis.[29]
<