De alternatieve
Cleveringalezing 2004:
“Stigmatisering is
zeker de bedoeling” [1][1]- het
anti-ilsmanisme[2][2] aan de Universiteit Leiden
27 november 2004
De Engelse
versie is te vinden op www.passagenproject.com/cleveringaengels.html
Maria Trepp M.Trepp@wanadoo.nl
Over Cliteur zie ook
ook www.passagenproject.com
www.passagenproject.com/cliteur.html
www.passagenproject.com/conservatisme.html
Vorig jaar heb ik mijn alternatieve Cleveringalezing[3][3] gehouden staande op de afvalcontainer aan de Groenhovenstraat. Dit jaar sta ik niet meer op de afvalcontainer- in dit opzicht ben ik dus gepromoveerd. Maar ook dit jaar bevat mijn lezing min of meer onvrijwillig groteske aspekten: ik werd gevraagd omwille van veiligheidsredenen bepaalde namen en woorden niet te noemen, in ieder geval niet in de internetversie van de lezing (sommige spellingfouten zijn dus opzet!), maar ik zal voor de zekerheid de veiligheid ook in de life-versie in acht nemen. Van alle kanten wordt nu - in de naam van de verdraagzaamheid - zelfcensuur gevraagd. Welnu, mijn Nederlandse versie van Verlan, de Franse straattaal, waarbij woorden/lettergrepen door omdraaiing worden versleuteld, is het resultaat van de in deze tijden noodzakelijke zelfcensuur. Als u dus moeite hebt me te begrijpen, dan weet u dat het gewoon aan mijn Bargoens ligt, een taal, die trouwens uitstekend past bij iemand als ik, die door politie en justitie achterna wordt gezeten (overigens in opdracht van de Universiteit Leiden).[4][4]
Ik wil nog even de tijd nemen voor een reprimande in de richting van de “nihilist” (P.C.) Jan Blokker, die rücksichtslos de veiligheid van onze bekende Leidse hoogleraar en anti-ilsmaniet Pieter Cornelis op het spel heeft gezet door te schrijven dat deze man niet door de politie beveiligd wordt,[5][5] terwijl dit een leugen is, omdat Pieter Cornelis tegen mij heeft gezegd dat zijn veiligheid dusdanig wordt bedreigd, dat hij natuurlijk wel politiebeveiliging heeft. Een milde reprimande ook in richting Cornelis zelf: terwijl ik me uitsloof en mijn uiterste doe voor zijn veiligheid, schreeuwt hijzelf van de daken dat hij niet beveiligd wordt, en lokt nu iedereen, ook degene die hem tot nu toe nog niet heeft opgemerkt, achter zich aan.
Bij de naam Cleveringa gaan de gedachten terug aan de tweede wereldoorlog, en aan de weerstand tegen de Duitse bezetter. Pieter Cornelis schrijft zeer veel over de nazi’s en hun gedachtegoed in zijn boeken, en trekt parallellen met de huidige tijd. De alternatieve Cleveringalezing is een goede gelegenheid, om Cornelis’ uitspraken over de nazi’s en zijn wens naar een monocultuur, naar stigmatisering van groepen en zijn gevecht Tegen de decadentie en tegen de “barbaren” te onderzoeken.
Pieter Cornelis heeft drie boeken uitgegeven waarin zijn columns zijn verzameld. Het eerste boek van de reeks, uitgegeven 2002, heet Moderne Papoea’s. In dit boek houdt Cornelis een pleidooi voor de monocultuur. De Nederlandse samenleving moet meer op een Papoea-cultuur lijken, dat wil zeggen, op een gesloten cultuur, op een monocultuur. [6][6]Ik heb Cornelis s boek direct na het verschijnen gekocht, omdat ik me om biografische redenen voor de Papoea’s interesseer. Mijn vader was een Lutherse theoloog en heeft onderwezen aan een opleiding voor missionarissen die naar Papoea Nieuw-Guinea werden uitgezonden. Ik herinner me dat ik hem toen vroeg, waarom de Papoea’s gemissioneerd moesten werden. Hij antwoordde dat de Papoea’s zeer bang zijn voor elkaar, en uit angst voor elkaar altijd weer een ander dorp aanvallen. Als ze christenen worden, zei hij, hebben ze veel minder angst en vermoorden elkaar niet meer.
Ik weet natuurlijk ( en mijn vader wist het ook) dat dit mooie christianiserings-verhaal genuanceerd moet worden, maar ik ben het oneens met Pieter Cornelis, dat we ons in de richting van moderne Papoea’s moeten ontwikkelen. De cultuur van de Papoea’s is weliswaar, wat de Papoea’s zelf betreft, buiten iedere kritiek te plaatsen, maar de moderne Papoea als een positief voorbeeld voor onze westerse samenleving is een terugval in barbarij. Cornelis’ rationele versie van het verlichtingsdenken zie ik als een goed voorbeeld van wat Adorno beschrijft als de tendens van het rationele verlichtingsdenken terug te vallen in barbarij. (zie hiervoor Dialektik der Aufklärung).
In verband met zijn streven naar een monocultuur bespreekt Cornelis ook de nazi-cultuur. Nu is de nazi-cultuur wel het beste voorbeeld voor, wat er gebeurt, als je radicaal naar een monoculturele samenleving streeft. Cornelis zegt het volgende over het Duitse Derde Rijk:
“[...] ook het Duitse Derde Rijk was een multiculturele samenleving. Zelfs wanneer de poging om de cultuur van joden, zigeuners en homoseksuelen te elimineren uit Duitsland gelukt was, dan was het nog geen monocultuur geworden. [...] De monoculturele droom is dus in zijn radicaalste vorm een illusie.” [7][7]
[Cornelis zegt: elimineren uit Duitsland. Maar het was: vermoorden]. Cornelis geeft dus eigenlijk toe dat de nazi’s een monocultuur hebben nagestreefd en dat in het kader van dit streven een paar mensen gesneuveld zijn. Cornelis denkt dat hijzelf zich fundamenteel van de nazi’s onderscheidt, omdat hij niet de onrealistische droom van de totale monocultuur aanhangt. En zeker, daar ligt een bepaald verschil tussen hem en de nazi’s . Maar vergeet niet, dat de nazi’s ondanks hun waanzinnige ideeën altijd ook zeer praktisch en rationeel waren, en op elk moment alleen datgene hebben gedaan, wat politiek en praktisch uitvoerbaar was. Ze hebben bijvoorbeeld altijd een stapje terug gedaan wat het antisemitisme betrof, toen zij op echte weerstand zijn gestoten (zie hiervoor Helmut Berding Antisemitismus in Deutschland) .
Het streven naar een monocultuur was bij de nazi’s niet statisch, maar dynamisch; ze hebben gekeken hoe ver ze kunnen gaan. Mijn stelling is, dat elk streven naar een monocultuur levensgevaarlijk is, en dat de monoculturisten geconfronteerd, dus begrensd moeten worden, met alle democratische en fatsoenlijke middelen.
“Fatsoen”- dit woordje staat in de titel van een artikel van Cornelis van 6 oktober 2004 in de Volkskrant, Fatsoen begrenst vrije meningsuiting. Ook in dit artikel heeft Cornelis het over de nazi-tijd. Hij zegt erover blij te zijn, dat Jan Blokker in de Volkskrant niet mocht schrijven, dat de ideeën van Fortuyn op die van Mussert lijken (Cornelis bewijst altijd weer dat hij van ironie niets begrijpt. Jan Blokker is juist beroemd vanwege zijn vergelijking tussen Fortuyn en Mussolini – in zijn Volkskrant-column De nieuwe Duce[8][8]).Cornelis artikel impliceert, dat de grenzen van het goede fatsoen overschreden worden, als er een vergelijking tussen hedendaagse politici en de fassten gemaakt wordt. Ik wil over deze implicatie een aantal opmerkingen maken:
1. Cornelis maakt zelf vergelijkingen tussen de nazi-tijd en de huidige tijd, en vergelijkt zijn eigen anti-ilslamisme met het anti-fassisme.[9][9] Daarmee staat Cornelis zij aan zij met zijn geestverwanten Pim Fortuyn en Frits Bolkestein. Fortuyn viel, net als Cornelis, niet alleen de gewelddadige ilsmam-fundimentalisten aan, maar expliciet ook de liberale ilsman.[10][10] Ook Fortuyn maakte een vergelijking tussen de ilsman en het Derde Rijk. Hij sprak zich uit voor een bipolaire wereldorde en voor een gevecht tussen goed en kwaad. Nadat het communisme is ondergegaan, hebben we volgens Fortuyn namelijk een nieuwe vijand, een nieuwe duivel, nodig: de ilsman.[11][11] Ook de nieuwe Leidse hoogleraar Frits Bolkestein ziet een duidelijk verband tussen de Duitse bezetter en de moslims. Ik citeer Wim de Jong, die in zijn Televisie-rubriek in de Volkskrant schrijft:
“Als ‘iemand die de Duitse bezetting heeft meegemaakt’ vindt Bolkestein het een onheilspellende ontwikkeling dat in onze vier grote steden de situatie nabij is dat de moslims er de grootste bevolkingsgroep gaan vormen. Met volgens de VVD-prominent alle ‘gevoelens van’ intimidatie en onvrijheid van dien .“[12][12]
Het maakt me woedend (inderdaad!) dat op 7 november, toen na de moord op Van Gogh een gevaarlijke negatieve spiraal van vijandige maatschappelijke polarisering duidelijk werd, Bolkestein het nodig vond een zo smakeloze, foute en onpassende vergelijking tussen de moslims en de Duitse bezetter te maken. Deze smakeloosheid wil ik beantwoorden met een gedicht uit nazi-tijden, die de angst van de Duitsers voor de verschrikkelijke joodse “bezetter” weergeeft:
“Wirtschaft und Geschäft - überall der Jud
Presse, Theater, Film, blick hin wo du willst
Überall der Jud die Hauptrolle miemt
Allüberall, ja bald jedes Kloset
War von irgend einem Juden besetzt [...][13][13]
Ook de Leidse rechtsgeleerde Afshin Ellian (vaak door Cornelis toestemmend geciteerd) maakte nog zeer recentelijk een vergelijk tussen de nazi’s en de moslim-gemeenschap; hij zegt in een interview met de Volkskrant:
“Ik vertrouw jullie, oorspronkelijke inwoners van dit land, niet echt. Sorry. Jullie zijn wel erg geneigd te capituleren. Langzamerhand begin ik te begrijpen, waarom de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog Nederland binnen vijf dagen hebben kunnen innemen.”[14][14]
Weliswaar spreekt Ellian hier over de moslim-extremisten, maar de vergelijking met de nazi’s en de situatie van de bezetting is overdreven en smakeloos, vooral bij een man die zelf onder geen omstandigheden wil tolereren, dat er door anderen een vergelijking wordt gemaakt tussen het anti-islamisme en het anti-semitisme; er zelfs “kotsmisselijk” van zegt te worden en eraan toevoegt: “Als dit geen demagogie is, dan weet ik niet meer.”[15][15] Juist.
2. De vergelijking tussen de ideeën van Mussert en van Fortuyn werd ook door Cornelis’ wetenschappelijke collega’s aan de Universiteit Leiden gemaakt. Wil Cornelis ook deze wetenschappers van onfatsoen betichten?
In de NRC van 6 juni 2002 werd onder de titel ‘Ideeën Fortuyn herinneren aan Mussert’ naar een artikel uit het Historisch Nieuwsblad verwezen, waar de Leidse wetenschapper Bart van der Boom zei:
“In Fortuyns agressieve anti-establishmenttoon zie ik verwantschap met de NSB”.
En “Op het eerste gezicht staat de droge fantasieloze Mussert mijlenver van de flamboyante Fortuyn, maar de leiderschapscultus is bei beiden aanwezig. Hoe sterk beklemtoont Fortuyn voordurend, dat hij een leraar is, een geboren leider, een geroepene ook, die eenzaam is omdat hij geen gelijken heeft om zijn strategie met te bespreken. De uitvoering van zijn plan is persoonsgebonden, de persoon van de leider is zo een noodzaklijk schakel in de beweging.[...] [16][16]
Toch worden bij dit soort vergelijkingen zeer terecht ook vraagtekens geplaatst. Bart van der Boom heeft na het lezen van het eerste gedeelte van deze lezing het volgende commentaar gemaakt:
“Het
probleem is, geloof ik, dat 'vergelijken' in de wetenschap iets anders betekent
dan in de journalistiek of politiek. In de wetenschap is vergelijken het
bekijken van overeenkomsten en verschillen, in de hoop daar iets van op te
steken. In de journalistiek en politiek betekent vergelijken: gelijkstellen, in
het bijzonder: moreel gelijkstellen. Het eerste is natuurlijk nooit
onfatsoenlijk, hooguit weinig vruchtbaar - wat denk ik voor de vergelijking
Mussert - Fortuyn geldt. Het tweede, het moreel gelijkstellen van beiden, is
natuurlijk beledigend, en misschien wel onfatsoenlijk.”
Fortuyn, Cornelis, Bolkestein, Ellian: zij hebben als publicisten de ilsman (en expliciet niet alleen de gewelddadig-fundimntalistische ilsman) moreel gelijkgesteld met het nazisme. Dit is stigmatiserend (en Cornelis zegt ook, bewust te willen stigmatiseren), beledigend en onfatsoenlijk. Ik vind het belangrijk, deze publicisten die op een hoge morele en bovendien polariserende toon spreken op hun eigen voorwaarden en moraal aan te spreken. Wie zelf parallellen met het nazisme trekt, moet zichzelf deze vergelijking ook laten welgevallen- zonder meteen te beginnen over “demonisering!”.
Ik wil ook nog Henk Hofland instemmend citeren die over de vergelijking Mussert-Fortuyn het volgende heeft gezegd:
“[...] als er
overeenkomsten zijn tussen de gedachten van Fortuyn en die van Mussert, wil dat
nog niet zeggen dat de eerste een 'fassst' is. [...] Dat de gedachten van
Fortuyn hier en daar lijken op die van de vooroorlogse Mussert, is historisch
interessant. Het vraagstuk van nu is dat deze maatschappij, die nauwelijks
overeenkomst vertoont met die van de jaren dertig, de haat heeft gekweekt die,
als gevolg van de moord, aan de oppervlakte komt en ons nieuwe politieke
omgangsvormen probeert te dicteren.”[17][17]
En twee jaar later, in november 2004, herhaalt Hofland nog eens hoe sterk de huidige maatschappij verschilt van de tijd toen.
“[...] En laten we
niet overdrijven. Amsterdam 2004 is in de verste verte geen Berlijn 1933. Maar
er is één kleine kiem van overeenkomst. De voorspelbaarheid van het normale
leven verdwijnt, de partijen wapenen zich gretig voor een confrontatie, welke
dat ook mag zijn.[...]“[18][18]
Helemaal geruststellend is dit commentaar niet.
Cornelis eist in zijn artikel in de Volkskrant fatsoen. Ook een andere auteur, Bas van Stokkom, heeft in de Volkskrant over het belang van fatsoen in het openbare debat geschreven. Hij schrijft:
“Er is dringend behoefte aan fatsoenlijk discussiëren.
Fatsoen duidt erop dat gespreksgenoten goodwill tonen, zonder tekenen van dreiging of wantrouwen [...] Inderdaad, fatsoen noodzaakt sprekers tot een zekere zelfcensuur. Beleefdheid verlangt, dat je sommige oordelen of feiten achterwege laat. Altijd de ‘waarheid’ vertellen zou onverdraaglijk zijn. Maar juist in omstandigheden van conflict of maatschappelijke spanningen is fatsoen van belang.”[19][19]
Volgens deze fatsoensnorm is de bijdrage van de heren Cornelis en Bolkestein en aan het integratiedebat zeer onfatsoenlijk te noemen. ***De NRC-columnist Frits Abrahams heeft in reactie op Cornelis’ Fatsoen-artikel twee keer[20][20] erop gewezen, dat fatsoenridder Cornelis Theo van Goghs boek Allah weet beter “voortreffelijk en vermakelijk” had genoemd. In dit boek stonden niet alleen de beroemde citaten over geiten, die ik hier niet herhaal, maar werd ook Paul Rosenmöller de dood toegewenst en het pissen op zijn graf aangekondigd. En ook ongepaste parallellen met de NSB-tijd waren bij Van Gogh te vinden, die Job Cohen “een miezerige oplichter” en “een NSB’er van nature” noemt in dit “voortreffelijke en vermakelijke” (P.C.) boek
Ik ben het met gedachte aan Cornelis en Van Gogh helemaal eens met van Stokkom, maar er blijft toch noch een belangrijke vraag open, namelijk de vraag naar polemiek. Is polemiek dan niet geoorloofd? Is polemiek altijd onfatsoenlijk? Ik ben zelf zeer polemisch, en dat heeft mij ook zeer in de problemen gebracht, en brengt me straks ook nog voor de rechter.[21][21]
Bas van Stokkom schrijft aan mij, in een reactie op het eerste gedeelte van mijn lezing:
“Wat
polemiek betreft meen ik: geen probleem temidden van liberale
discussianten die tegen een stootje kunnen en polemiseren als een (sarcastisch)
woordspel kunnen zien. Anti polemiek wanneer haar polariserende
effecten groepen uit elkaar drijft en de politieke stabiliteit op het spel
staat (zoals nu het geval is).”
Ikzelf vind polemiek onder de volgende voorwaarden fatsoenlijk en gerechtvaardigd:
Ten eerste is polemiek gerechtvaardigd als de polemiek een spelkarakter heeft, en men dus met de aangevallen tegenstander achteraf weer een glas kan gaan drinken. Dit is de soort polemiek die Arnold Heumakers beschrijft in zijn artikel De grenzen van het spel,[22][22] waarin hij betoogt, dat het Theo van Gogh “fataal” werd, dat hij de regels van het polemiekspel overtrad. Maar polemiek heeft niet altijd een speelkarakter, en is soms ook gerechtvaardigd als men het echt meent. Maar ook dan zijn er regels, en die zijn volgens mij ten eerste openheid en eerlijkheid ( dus niet achter de rug van anderen gaan). Ook moet naast de polemiek een streven te vinden zijn naar differentiëring, of naar een dialoog met de ander. Dus niet polemiek is het eigenlijke probleem, het echte probleem is de mate van polarisatie, die het gevolg is van uitspraken en handelingen. In een debat (en anders dan Bart van der Boom maak ik geen verschil tussen wetenschappelijk discours en het openbaar debat) moeten daarom niet alleen de verschillen gezocht worden, maar ook de overeenkomsten in mening. Juist op dit punt heeft zich de (na de mening van velen) kampioen Vrije Meningsuiting en Grootste Nederlander aller tijden Fortuyn niet bewezen. Bart van der Boom zei in het artikel in het Historisch Nieuwsblad over Fortuyn:
“Popper zei altijd:
je moet discussiëren in een geest van redelijkheid, het moet kunnen dat je
tegenstander gelijk heeft. Noch bij Mussert, noch bij Fortuyn is dat het
geval.”[23][23]
Met Fortuyn was een open discussie niet goed mogelijk, maar dit geldt niet voor Pieter Cornelis . Cornelis heeft de tijd genomen voor een internetdebat met mij. Anders dan Fortuyn heeft Cornelis de vrijheid van het woord in de praktijk gebracht. Het resultaat van het debat tussen ons was, dat Cornelis en ik naast grote verschillen van mening ook veel overeenkomsten konden vinden. In ieder geval vind ik, dat hij de goede vragen stelt ( en in die rol noemt hij zich terecht een moderne Socrates), ook al geeft hij de verkeerde antwoorden. En hij en ik delen ook op het persoonlijk vlak het een en ander: bijvoorbeeld een haast missionaire gedrevenheid.
Ik herken in Pieter Cornelis veel van mezelf, en juist daaruit leid ik het recht af, tegen hem polemisch te zijn. Ik zie hem niet als de wezensvreemde andere, als De Barbaar. In tegendeel: ik wil hem juist overtuigen, dat hij van zijn barbaren-plannen af moet, dat we dus niet ernaar moeten streven moderne barbaren, - in Cornelis’ metafoor: moderne Papoea’s - te worden.
Kees Schuyt schrijft op 17 november 2004 in de Volkskrant, aanspelend op de moord op Van Gogh:
“We hoeven niet meer
te wachten op de barbaren, zoals in het gedicht van Kavafis, want ze zijn al
onder ons.”
De moord op Van Gogh schijnt degenen recht te geven, die, zoals Cornelis ,
altijd voor de ilsmanitische barbaren gewaarschuwd hebben. Maar ik zie
het anders. Ik denk dat het feit dat in de publieke discussie de aanval geopend
werd tegen de ilsman in plaats van tegen terroristen, de sfeer van haat aangewakkerd heeft, en
tegelijkertijd te weinig andacht op het
echte terroristische gevaar werd gericht. Cornelis heeft het in ons
internet-debat over angst, en dat angst soms terecht is. Dat is zo, maar wie
angst heeft, moet zijn angsten zo specifiek mogelijk en niet zo vaag mogelijk
formuleren. Zeker van een wetenschapper moet het gevraagd worden, ook in de openbare
discussie zo min mogelijk vage angsten te verspreiden. ***Op de omslag van het
boek van de Leidse ilsmanoloog Hans Jansen God heeft gezegd (2003) wordt
een poging tot differentiëring gemaakt, die ik in de verhalen van Cornelis niet
tegen kom:
“Een godsdienstige of politieke beweging is geen massief, uit beton gegoten blok. Zulke bewegingen zitten eerder in elkaar als een kolossale fruitmand die [...] altijd wel ergens een plekje vertoont.
Elke volwaardige, zelfrespect biedende beweging, of het nu gaat over het christendom, het socialisme of de islam, beslaat bovendien een groote bandbreedte [...] Het zou een wonder zijn als er in zo’n scala van opinies en aspiraties geen dingen zaten waar iets mee is.”
Herman Franke schrijft in zijn bespreking van Wachten op de barbaren
van Coetzee, dat de angst voor de barbaren [in dit boek, maar niet alleen daar]
neerkomt op een onjuiste verplaatsing van agressie[24][24] en in zijn column Was het maar zo
simpel! [25][25] schrijf hij, en ik plicht hem bij:
„Niet de tolerantie
en het ‚softe’ respect voor immigrantenculturen heeft tot moorden,
brandstichting en extremisme geleid, maar juist de langzaam maar zeker
verspreide intolerantie en haat tussen bevolkingsgroepen.“
Cornelis schrijft zelf veel over de barbaren in zijn boeken, en gaat daarbij in op het beeld van de barbaren bij de Grieken. Hij schrijft:
“[...] Wat is
beschaafd? De oude Grieken hadden weinig moeite met het beantwoorden van die
vraag. Beschaafd, dat waren zij zelf. Beschaafd was Grieks. Wat daarbuiten viel
was onbeschaafd of barbaars.”[26][26] En: “De Grieken hadden een superieure
cultuur.”[27][27]
Cornelis, die van mening is dat ook onze Westerse beschaving “superieur” is (en hij spreekt vanuit een sociaaldarwinistisch kader!)[28][28] identificeert zichzelf sterk met de Grieken. Maar: het woord barbaar wordt bij de Grieken zowel neutraal in de zin van “buitenlander” als ook als “onbeschaafd” als ook in een positieve zin (b.v. “de edele wilde”) gebruikt.[29][29] Dus Cornelis kiest een barbarenbeeld, dat zeker niet typisch is voor de gehele Griekse beschaving.
Het antieke Griekenland is buitengewoon belangrijk voor Cornelis . Niet alleen beschrijft hij zichzelf herhaaldelijk als een moderne Socrates, hij geeft ook in Moderne Papoea’s nauwkeurig zijn eigen standpunt weer. Hij waant zich iemand, die zich op platoonse manier vrij heeft gemaakt van de tijd-ruimtelijke en lichamelijke omstandigheden, door uit de aardse grot omhoog geklommen te zijn naar universele waarden en normen.[30][30] Door zichzelf van zijn lichaam en zijn menselijke onvrijheden te dissociëren heeft hij ook, zoals hij zelf schrijft een “dualistisch” wereldbeeld. Een ik zeg: het is dit dualistische wereldbeeld dat het mogelijk maakt voor hem, andere onschuldige mensen als fundamenteel en totaal wezensverschillend te zien, als “barbaren”. Het is ook dit platoonse dualisme, dat de wereld op een gevaarlijke manier in beschaafd versus barbaars opdeelt.[31][31]
De correspondent van de Süddeutsche Zeitung in Nederland, Siggi Weidemann, zegt na de uitverkiezing van Fortuyn tot de Grootste Nederlander aller tijden tegen de Nederlanders:
“Jullie hebben je Bodenhaftung,
de grip op de weg, verloren.”[32][32]
Als Süddeutsche, en in aansluiting aan wat Fortuyn-fan Cornelis over zich zelf zegt, geef ik Weidemann gelijk.
Kees Schuyt heeft het in zijn zeer interessante column van 17 november over Verlichting onder vuur. Hij citeert de studie van Ira Katznelson Desolation and Enlightenment (2003), die de vraag stelde, “waarom het moderne verlichtingsdenken geen verweer had tegen de brute barbarij van het fascisme en communisme in het oorlogzieke Europa”. Het antwoord, dat Katznelson volgens Schuyt geeft, is, “dat dit kwam omdat het Verlichtingsdenken in zijn wetenschappelijke naïviteit en eenzijdige rationaliteit telkens vergeet, de waarden van ethiek en godsdienst, dat wil zeggen de humane en morele kanten van de verlichting, te erkennen.”
Naar mijn mening is het verlichtingsdenken van Pieter Cornelis van een gevaarlijke eenzijdige rationaliteit. Uit zijn boeken wordt duidelijk welk verlichtingsmodel hij prefereert: een autoritaire verlichting. Hij geeft de uitspraak van een verlichte absolutist, van Frederik de Grote, namelijk dat iedereen op zijn eigen manier zalig moet kunnen worden, de voorkeur voor Kants echt verlichte, niet alleen verlicht-absolutistische essay Beantwortung der Frage was ist Aufklärung.[33][33] Cornelis heeft gelijk, dat Frederik de Grote de ilsman naast het christendom min of meer gelijkberechtigd liet gelden, en in die zin een positief voorbeeld kan zijn ( “ Frederik wilde alle religies op voet van gelijkheid met elkaar behandelen”)[34][34]- maar juist in dat opzicht is Cornelis zelf geen opvolger van Frederik.
Als antwoord op Cornelis’ rationalistische en eenzijdige kijk op de voorlichting citeer ik Kees Schuyt:
“Dus niet het
onbetwijfelde Verlichtingsdenken, dat zijn harde, rationalistische gelijk aan
iedereen wil opleggen, moet leidraad” [ LUF: opgelet!!!] “zijn in de
strijd tegen nieuwe barbarij, maar de humane Verlichting, dat de twijfel aan eigen
morele en maatschappelijke kracht voorbij is, en ferm, krachtig en effectief
stand houdt tegen terreur en opkomende misdadigheid. Met behoud van haar
oorspronkelijke waarden: waarheidgetrouw, rechtvaardig en tolerant.”
[1][1] Pieter Cornelis., Tegen de decadentie, p 41.
[2][2] Ik heb bepaalde woorden en namen veranderd zodat ze wel herkenbaar blijven, maar niet op internet zoekbaar zijn.
[5][5] Cleveringa en Cliteur, de Volkskant, 22 november 2004.
[6][6] Moderne Papoea’s, p11/12.
[7][7] Moderne Papoea’s , p 17.
[8][8] 30 januari 2002. Voor Cornelis’ onbegrip van ironie en satire zie de discussie die ik met hem voer over George Bernhard Shaws essay Capital Punishment www.passagenproject.com
[9][9] b.v. Moderne Papoea’s , p 47; Tegen de decadentie, p 41.
[10][10] De islmisering van onze cultuur, p 9.
[11][11] De islmisering van onze cultuur, p. 18: “De bipolare wereldorde creëerde ondanks, of wellicht dankzij, haar verbale en soms gewapende agressie nochtans een redelijk veilige en stabile orde in de wereld.”
Pagina 39 f: “Het westen kiest intussen voor een strategie van pappen en nathouden. Men poogt zoveel mogelijk de ilsmanitische landen te integreren en onderhoudt zo goed mogelijke betrekkingen [....] Een fout die de democratische landen in het westen in 1939 in München ook al maakten. In de jaren tachtig heeft de toenmalige president van de Verenigde Staten Ronald Reagan, die fout niet gemaakt en de Sovjet-Unie onbekommerd gedefinieerd als het rijk van de duivel.” Het Historisch Nieuwesblad geeft nog de volgende Fortuyn-citaten weer: [De ilsmanitische bevolkingsgroepen in Europa zijn] “vegeterend dood gewicht en parasieten” “in een vijfde colonne”. Historisch Nieuwsblad juni 2002, p 46. “Parasiet” is vaak gebruikt als een nazi-scheldwoord voor de joden.
[12][12] Wim de Jong, Heilige Oorlog, de Volkskrant, 8 november 2004 over het progamma Buitenhof op 7 november.
[13][13] Karl Kraus, Dritte Walpurgisnacht, p. 59.
[14][14] 23.11.2004.
[15][15] gecit. na Moderne Papoea’s p 47.
[16][16] Interview Geertje Dekkers en Philip van de Poel, Historisch Nieuwsblad juni 2002, p 44.
[17][17] Haat als omgangsvorm, NRC, 12 juni 2002.
[18][18] Gat achter de voordeur, NRC, 12 november 2004.
[19][19] Mening geven is niet potje schelden, de Volkskrant, 6 november 2004.
[20][20] 13 okober en 25 november 2004
[21][21] Op 19 januari 2005 sta ik terecht vanwege laster tegen prof. Anthonya Visser, omdat ik in woord en geschrift beweer dat zij een antisemitisch toneelstuk met onwetenschappelijke en onwettige middelen heeft verdedigd. De zitting is om 11.20 , Prins Clauslaan 60, Den Haag. Iedereen is van harte welkom op de zitting. Meer informatie is te vinden op www.passagenproject.com/antisemitisme.html
[22][22] NRC 12.11. 2004.
[23][23] Historisch Nieuwsblad juni 2002, p 44.
[24][24] De Volkskrant, 6.11.2004.
[25][25] De Volkskrant, 12.11.2004
[26][26] Tegen de decadentie, p 16.
[27][27] Tegen de decadentie, p 22.
[28][28] Moderne Papoea’s, p 188
[29][29] Zie hiervoor mijn wetenschappelijk werk over het begrip “Barbar/Kulturbarbar” op www.passagenproject.com/sprache.html waar ook recente Nederlandse krantenartikelen (H.J Schoo, Vincent Icke) ter sprake komen, en Jahrbuch für Antike und Christentum “Barbar”, Jahrgang 10, 1967, p 251 ff.
[30][30] Moderne papoea’s p 189.
[31][31] Over het rationalistisch dualisme en mijn eigen emotioneel monisme zie ook de inleiding van mijn wetenschappelijk werk www.passagenproject.com/einleitung.html
[32][32] De Grip op de weg kwijt ?, NRC, 16.november 2004, p 20.
[33][33]Moderne Papoea’s p 20, zie ook het debat op de Passage(n)-project-site.
[34][34] Moderne Papoea’s p 157.