Belangrijke gedachten en citaten uit :
Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede ( = Kritiek van het cynische verstand)
Samenstelling gemaakt door Maria Trepp, juni/juli 2009
( Hieronder: mijn vetdruk , M.T.)
Zie ook:
|
http://www.passagenproject.com/citaten_uit_peter_sloterdijk_het_heilig_vuur.html |
(ook .rtf)
Op mijn Volkskrantblog heb ik een paar keer kort over Peter Sloterdijk geschreven, en ik voel bij mij en bij anderen de behoefte om dieper op zijn filosofie in te gaan.
Ik kies nu voor een verzameling van citaten uit zijn werk, te beginnen met “Kritiek van de cynische rede” en zal waar het me nodig of aardig lijkt iets aan toevoegen.
Ik denk dat uiteindelijk niemand beter dan Peter Sloterdijk zelf kan zeggen waar hij voor staat. Wie zich echt wil verdiepen zal zijn boeken moeten lezen, maar deze citaten kunnen dienen als ingang.
Maria Trepp
In “Kritiek van de cynische rede” gaat het om een tegenoverstelling van “cynisme” en “kynisme”.
‘Cynisme’ als het denken van heersers, die anderen aan zich onderwerpen.
‘Kynisme’ als het denken van onderop, de kritiek op de machtigen.
Met een kritiek op het cynisme wil Sloterdijk de tegenstellingtussen theorie en praktijk; en tussen 'ideaal' en 'werkelijkheid' overwinnen en het (kritisch) rationalisme opnieuw leven inblazen.
Cynisch is bij Sloterdijk ook gelijkbeduidend met “schizoïde” (gespleten), en kynisch met een “anti-schizoïde realisme”. Sloterdijk: ”Het eerste doet zich serieus voor, het tweede vrijpostig. Het eerste neemt de verantwoordelijkheid op zich voor wat niet verantwoord kan worden; het tweede pleit zonder verantwoordelijkheid voor wat wél te verantwoorden is. Het eerste wil, dat beweert het tenminste, de overleving garanderen; het tweede zou de levenswaardigheid van het leven willen redden van de uitwassen van het machtsrealisme. “( p 152)
Soms schrijt Peter Sloterdijk “cynisch” waar hij kynisch bedoelt.. dat maakt het lezen niet altijd eenvoudig. Ik zal hier in deze gevallen het woord kynisch in haakjes toevoegen.
Het denken van Peter Sloterdijk is sterk verwant aan het denken van Walter Benjamin, die het Leidse Passagenproject de naam heeft gegeven.
Voorwoord:
Kennis en macht
“Wat hier wordt aangeboden onder een titel die zinspeelt op grote tradities is een meditatie over de stelling 'Kennis is macht'; dat is de stelling die in de negentiende eeuw tot doodgraver van de filosofie is geworden. Deze woorden resumeren de filosofie en vormen tegelijkertijd de eerste bekentenis waarmee haar honderd jaar durende agonie inzet. Hiermee eindigt de traditie van een weten dat, zoals uit zijn naam blijkt, erotische theorie was-waarheidsliefde en liefdeswaarheid. Uit het lijk van de filosofie zijn in de negentiende eeuw de moderne wetenschappen en machtstheorieën opgerezen-als politicologie, als theorie van de klassenstrijd, als technocratie, als vitalisme, in elke gedaante tot de tanden bewapend. 'Kennis is macht'. Dat zette een punt achter de onvermijdelijke politisering van het denken. Wie deze woorden uitspreekt, verraadt aan de ene kant de waarheid. Door dat uitspreken wil men echter méér bereiken dan waarheid: een ingreep in het spel van de macht. “ (p 12)
“Omstreeks 1900 had de radicale vleugel van de linksen het rechtse machtscynisme ingehaald. De wedloop tussen het cynisch-defensieve bewustzijn van de oude machthebbers en het utopisch-offensieve bewustzijn van de nieuwe heeft het politiek-zedelijk drama van de twintigste eeuw opgeleverd. In de race om het hardste bewustzijn van de harde feiten gingen duivel en Beëlzebub bij elkaar in de leer. Uit de concurrentie van deze bewustwordingen is de schemerigheid ontstaan die zo kenmerkend is voor onze tijd - de wederzijdse bespieding der ideologieën, de assimilatie van de tegenstellingen, de modernisatie van het bedrog-, kortom: de situatie die de filosoof het luchtledig instuurt, de situatie waarin leugenaars leugenaars leugenaars noemen.”(p 13)
“De eeuwige terugkeer van hetzelfde, het meest subversieve denkbeeld van Nietzsche-kosmologisch onhoudbaar, maar vruchtbaar in cultuurfilosofische zin - valt samen met een hernieuwd opdringen van kynische motieven..[...] dat zijn de klopsignalen van een nuchter, op lust georiënteerd leven dat geleerd heeft rekening te houden met vaste gegevens. Voorbereid zijn op alles-dat maakt een mens onkwetsbaar slim. Leven ondanks geschiedenis; existentiële reductie; zogenaamde socialisatie; ironie versus politiek; wantrouwen jegens 'projecten'. Een neo-heidense cultuur die niet gelooft in een leven na de dood, moet daarom het leven daarvóór zoeken. ”( p 14)
“Het begrepen onderling effect van physis en logos is filosofie,[...] Fysiognomisch denken [=kynisch denken, M.T.] biedt een kans om uit te breken uit het rijk der afgesplitste en dus boosaardige denkers. Wie een nieuwe kritiek van de rede wil schrijven moet tevens denken aan een filosofische fysiognomiek; dat is niet, zoals bij Adorno, 'esthetische theorie', maar bewustheidsleer met huid en haar (en tanden). ” ( p 19)
“In een wereld die polyperspectivisch stukgebarsten is horen de 'grote overzichten' van het geheel inderdaad meer thuis bij de eenvoudigen van geest, en niet bij de rationele verlichten, bij de mensen die zich door het gegevene hebben laten opvoeden. Verlichting heeft steeds tot gevolg dat het denken vanuit bepaalde standpunten wordt vernietigd en alle perspectivisch-conventionele moraal in lucht oplost; psychologisch gaat dat samen met vervaging van het ik, literair en filosofisch met het verval van de kritiek. “( p 21)
“Hoe moeten wij echter een verklaring vinden voor de tegenstrijdigheid dat de belangrijkste renaissance van de kritiek van de twintigste eeuw verbonden moet worden met de naam Walter Benjamin, die enerzijds treffend aantoont dat de tijd voor kritiek voorbij is, maar aan de andere kant door onafzienbaar ver strekkende impulsen deel uitmaakt van de school van de Kritische Theorie? Het is onmogelijk, zo zegt hij, een 'standpunt' in te nemen omdat de dingen veel te dichtbij zijn gekomen. Maar vanuit een nader te bepalen standpunt van afwezigheid van standpunten heeft de kritiek indrukwekkende vormen ontwikkeld. Vanwaaruit spreekt zij dan? Vanuit welk perspectief? Uit wiens naam?
Ik ben van mening dat de Kritische Theorie een provisorisch Ik voor kritiek heeft gevonden, en een 'standplaats' vanwaar perspectieven op een waarlijk houtsnijdende kritiek mogelijk zijn-een standplaats waarmee de traditionele kenleer geen rekening houdt. Ik zou dat het pijn-apriori willen noemen. Het is niet de grondslag van een verheven, gedistantieerde kritiek die tot een groot overzicht leidt, maar een opstelling van grootst mogelijke nabijheid-micrologie.
Wanneer de dingen veel te pijnlijk dichtbij komen, ontstaat onvermijdelijk een kritiek die dat pijnlijke tot uitdrukking brengt. Het is niet meer een kwestie van de juiste distantie, maar van de juiste nabijheid. Het succes van een woord als 'medemenselijkheid' komt daaruit voort; het is het zaad van de Kritische Theorie dat tegenwoordig in nieuwe vormen opkomt, ook onder mensen die daar eigenlijk nooit van hebben gehoord. “( p 21f)
“Omdat de soevereiniteit van het hoofd nooit anders dan fout kan zijn, maakt de nieuwe kritiek aanstalten over te stappen van het hoofd naar het gehele lichaam. Het rationalisme wenst van boven naar beneden te werken-zowel educatief-politiek als psychosomatisch. Wanneer men het levende lichaam ontdekt als 'aanvoeler van de wereld', dan wil dat zeggen dat men de filosofische kennis van de wereld een realistische grondslag geeft. Daarmee is de Kritische Theorie als eerste begonnen, aarzelend, vaak in esthetiserende geheime codes, verborgen in allerlei hachelijkheden.” (p 22)
[Het gaat Peter Sloterdijk om een vernieuwing van de Kritische Theorie van Adorno c.s., M.T]
“Daarbij gaat de Kritische Theorie uit van de nog steeds 'elitaire' vooronderstelling van een intacte sensibiliteit. Dat is kenmerkend voor haar kracht in zwakheid; dat is de basis van haar waarheid en beperkt het terrein waarop zij van kracht is. Inderdaad moet men zo veel zin voor het elitaire kunnen opbrengen. Die zin wordt gevoed door weerzin jegens het lijkengif van de normaliteit in een land van harde koppen en gepantserde zielen. Men mag zo vrij zijn bepaalde tegenstanders niet te willen overtuigen; er bestaat een algemeenheid van 'waarheid' die een alibi is voor gebrek aan begrip; waar het vermogen tot redelijkheid niet gebaseerd is op sensibele zelfbezinning, zal die niet te voorschijn getoverd worden door communicatie-theoretische argumenten, hoe degelijk ook. “ ( p 23)
“'Sensibele' theorie is iets dat argwaan wekt. Inderdaad bezaten de grondleggers hiervan, met name Adorno, een exclusief ingeperkte opvatting van het sensibele-een nimmer te rationaliseren vooronderstelling van opperste psychische gevoeligheid en esthetische vorming; hun esthetica bereikte bijna de grens van walging voor alles en iedereen. Er was nauwelijks iets in de 'praktische' wereld dat hun geen pijn deed en verschoond bleef van de verdenking van bruut geweld. Alles was voor hen op de een of andere manier onlosmakelijk medeplichtig aan het 'onechte leven' waarin 'geen echtheid bestaat'. Met name gingen zij ervan uit dat alles wat leek op lust en harmonie, waarschijnlijk zou neerkomen op bedrog, regressie en 'onechte' ontspanning. Onvermijdelijk heeft de Kritische Theorie, vooral in de persoon van Adorno, de weerslag van haar overdrijving te voelen gekregen.”(p 23)
“Adorno was een van de pioniers van een vernieuwde kenniskritiek die rekening houdt met een emotioneel apriori. In zijn theorie zijn motieven van crypto-Boeddhistische aard aan het werk. Wie lijdt zonder hard te worden, zal begrijpen; wie muziek kan horen, werpt gedurende enkele seconden van verlichting een blik op de andere kant van de wereld. De overtuiging dat het reëelste in een manuscript geschreven is door lijden, koude en hardheid, was kenmerkend voor de wereldbeschouwing van deze filosofie. Men geloofde weliswaar eigenlijk niet in verandering ten goede, maar bezweek ook niet voor de verleiding van afstomping en gewenning aan de feiten. Gevoelig blijven was als het ware een utopische opstelling-de zintuigen gespitst houden voor een geluk dat niet zal komen, maar ons in ons bewustzijn van de aanwezigheid daarvan beschermt tegen de allerergste verwildering.
Politiek en emotioneel berust de esthetische, de 'gevoelige' theorie op een verwijtende opstelling, een mengeling van lijden, verachting en woede, tegenover alles wat macht bezit. Zij stileert zich tot spiegel van het wereldkwaad, de burgerlijke kilte,. het principe 'heerschappij', het smerige gesjacher en het profijtbeginsel. De wereld van het mannelijke, dat is waaraan zij categorisch weigert zich uit te leveren. Zij vindt haar inspiratie in een archaïsch nee tegen de wereld van de vaders, de wetgevers en sjacheraars. Zij gaat uit van het vooroordeel dat uit die wereld slechts boosaardige macht kan voortkomen, de macht die zich keert tegen het levende. En dat is de reden waarom de Kritische Theorie stagneert. Het offensieve effect van de weigering zich uit te leveren is sinds lang verloren gegaan. Het masochistische element heeft het creatieve verdrongen. De impuls van de Kritische Theorie wordt zo langzamerhand rijp voor een doorbreken van de banden van het negativisme. “ (p 24)
“Sinds het uiteenvallen van de studentenbeweging beleven wij windstilte in de filosofische theorie. Wel is er meer wetenschappelijkheid en 'niveau' dan ooit tevoren, maar de inspiraties zijn gevoelloos. Het optimistische geloof van 'toen', dat men levensbelangen kon ontdekken door middel van maatschappij-theoretische inspanningen, is grotendeels verdwenen. Zonder dat optimisme blijkt nu plotseling hoe saai sociologie kan zijn.” ( p26)
“De kritiek van de cynische rede verwacht daarom meer van opvrolijkende activiteiten, waarbij tevoren reeds vaststaat dat dit niet zozeer activiteit is als wel ontspanning na gedane arbeid. “ ( p 28)
“De Europese neurose beschouwt het geluk als doel, en inspanning van de rede als weg daarheen. Deze dwangmatigheid dient doorbroken te worden. Men moet de kritische verslaving aan het verbeteren opheffen, ter wille van het goede dat men op lange marsen zo gemakkelijk uit het oog verliest. De ironie wil dat het doel van de meest kritische inspanning is: zich laten gaan, zo onbevangen als men maar kan.”( p 28)
“Wanneer verhulling van constitutieve betekenis is voor een cultuur, wanneer het leven in de maatschappij bezwijkt onder een dwang tot liegen, treedt bij het feitelijk uitspreken van de waarheid .een element van agressie op, een onwelkome ontbloting. Toch blijkt de neiging tot onthulling op den duur sterker. Pas radicale naaktheid en onomwondenheid bevrijden ons van de dwang tot wantrouwige verdachtmakingen. Het verlangen naar de 'naakte waarheid' is een motief van vertwijfelde zinnelijkheid die de sluier van conventies, leugens, abstracties en disereties wil wegrukken om ter zake te komen. Dat is het motief dat ik wil volgen.” (p 29)
“De droom die ik achterna loop is de stervende boom van de filosofie nog één keer te zien bloeien - met bloesems zonder teleurstelling, bezaaid met bizarre bloemgedachten, rood, blauw en wit glanzend in de kleuren van het eerste begin” ( p 30)
[Bij dit citaat moet ik denken aan de schitterende installatie van Pippilotti Rist, ‘Appletree on a diamond hill’ waar zij plastic afval met licht tot magisch leven wekt.M.T.
Zie hier:
http://www.passagenproject.com/pipilotti-rist_apple_tree1.jpg
http://www.passagenproject.com/pipilotti-rist_apple_tree2.jpg
Cynisme- de schemer van het verkeerde bewustzijn
“Het onbehagen in de cultuur is een nieuwe kwaliteit gaan vertonen: het treedt op als universeel diffuus cynisme. De traditionele ideologiekritiek staat daar radeloos tegenover. Ze weet niet waar ze het breekijzer van haar rationalisme in het cynisch waakzame bewustzijn moet zetten. Het moderne cynisme doet zich voor als de bewustzijnstoestand die volgt op de naïeve ideologieën en het rationalisme dat die met zich meegebracht hebben. Hier vindt men de ware oorzaak van de opvallende toestand van uitputting waarin de ideologiekritiek verkeert. Die kritiek is naïever gebleven dan het bewustzijn dat zij wilde ontmaskeren; braaf rationeel als ze was heeft ze de verandering van het moderne bewustzijn in een listig, veelvormig realisme niet kunnen volgen. De reeks van vormen die het verkeerde bewustzijn tot nu toe heeft vertoond -leugen, bedrog, ideologie - is onvolledig; de tegenwoordige mentaliteit dwingt ons een vierde structuur toe te voegen, het fenomeen van het cynisme. Spreken over cynisme betekent dat men probeert het oude bouwwerk van de ideologiekritiek via een nieuwe ingang te betreden. “ (p 33)
“De oudheid kent de cynicus (of liever: de kynische mens) als vreemde, eenzelvige figuur en als provocerende, eigenzinnige moralist. Diogenes met zijn ton geldt” [hij is het te volgen voorbeeeld voor Peter Sloterdijk, als wapen tegen het onpersoonlijke moderne cynisme, M.T] [...] “Men zou hem als vroegste voorbeeld van gedeklasseerde of plebejische intellectueel kunnen aanduiden [....] [met] [zijn] 'cynisch' verzet tegen de arrogantie en de zedelijke fabrieksgeheimen.” ( p 34)
Modern cynisme is voor Peter Sloterdijk hetzelfde als “boosaardig realisme” ( p 34) is “mondain weten geaccumuleerd dat zich elegant beweegt tussen naakte feiten en conventionele façades” ( p 34).
Cynisme is gekoppeld aan de macht: “Nauwkeuriger gezegd: het zijn de machtigen die zo glimlachen, terwijl de kynische plebejers een satirisch schaterlachen doen horen” ( p 35)
“Tegenwoordig treedt de cynicus op als massatype: sociaal gezien een doorsneekarakter in de ontwikkelde bovenbouw. Het is een massatype-en niet alleen omdat de ver voortgeschreden industriële beschaving de verbitterde zonderling en masse produceert” (p 35)
“. De moderne cynicus is een geïntegreerde asociaal die elke hippie evenaart in onbewust gebrek aan idealen. Hij zelf heeft niet de indruk dat zijn helder-boze oog een persoonlijk gebrek is, of een amorele gril die hij individueel dient te verdedigen. Instinctief beschouwt hij zijn levenswijze niet meer als iets dat te maken heeft met boosaardigheid, maar als onderdeel van een collectieve realistische teneergeslagen visie.” ( p 35 f)
“Ondergeschikt aan het diffuse cynisme zijn sinds lang de sleutelposities van de maatschappij, het bestuurswezen, de parlementen, de raden van toezicht, de directies van bedrijven, de lectoraten, artsenpraktijken, faculteiten, advocatenkantoren en redacties.”( p 36)
“Dat brengt ons tot onze eerste definitie: cynisme is het verlichte verkeerde bewustzijn.*
'Verlicht verkeerd bewustzijn': deze formulering moet men niet zien als hulpstelling, maar als systematische aanpak, als model voor een diagnose. Daardoor verplicht deze formulering zich tot een herziening van het rationalisme; ze moet haar relatie tot wat de traditie 'verkeerd bewustzijn' noemt, blootleggen; meer nog: ze moet de ontwikkeling van het rationalisme en de invloed van de ideologiekritiek herzien, een invloed die mogelijk heeft gemaakt dat het rationalisme door het 'verkeerd bewustzijn' is geresorbeerd. Als dit boek een historisch doel had, zou dat luiden: de modernisering van het verkeerde bewustzijn.” (p 37)
“In laatste instantie gaat het om de sociale en existentiële grenzen van het rationalisme. De dwangmatigheden van overleving en zelfbehoud hebben het verlichte bewustzijn vernederd.”( p 38)
“Het trotse agressieve paraderen met cynische onbeschaamdheid is zeldzaam geworden” ( p 40) - dat schrijft Peter sloterdijk in de jaren ’80 vna de vorige eeuw; dat is iniddels veranderd...
Het onderzoek naar cynisme is ook een onderzoek “naar het verband tussen het probleem van de overleving en het gevaar van fascisme.” ( p 41)
“Inderdaad raakt de vraag van de 'overleving', van zelfbehoud en handhaving van de eigen persoonlijkheid, waarop alle cynismen immers een antwoord geven, aan het kernprobleem van de verdediging van de status quo en de planning van de toekomst in moderne staatsvormen. Op verschillende manieren probeer ik te komen tot een logische plaatsbepaling van het Duitse fascisme in de escalaties van het moderne reflexieve cynisme. Vooruitlopend op de verdere uitwerking kan ik zeggen dat hierin een typisch moderne dynamiek van psychoculturele angst voor ontwrichting, regressieve zelfhandhaving en nieuw-zakelijke kille ratio samenvloeien met een oude eerbiedwaardige stroming van militair cynisme, dat op Duitse en in het bijzonder op Pruisische bodem een even macabere als hecht gewortelde traditie bezit.” ( p 41)
Hoofdstuk 2: Rationalisme als gesprek-ideologiekritiek als voortzetting van het mislukte gesprek met andere middelen
“Wie over cynisme spreekt, herinnert aan bepaalde grenzen van het rationalisme” ( p 43)
“Nooit heeft het rationalisme een effectief bondgenootschap kunnen aangaan met de massamedia, en nooit is mondigheid een ideaal geweest van de industriële monopolies en hun organisaties” ( p 44)
Ik neem aan Sloterdijk hier met “rationalisme” een echt kritisch rationalisme bedoelt, waar hij het soms elders over cynisch rationalisme heeft.
“Het rationalisme loopt namelijk onmiddellijk stuk op een kwalitatief verzet in het bewustzijn van de tegenstander. Dat verweert zich als een razende tegen de uitnodiging tot discussie, tegen het 'ondermijnende' gesprek over waarheid; ressentiment komt al op tegen het spreken als zodanig, want daarin komen de traditionele opvattingen, waarden en vormen van de handhaving van het ik op het spel te staan. De verklaring van dit verzet als basis van een ideologie is een hoofdmotief van het rationalisme geworden. “
“Niet pas in de moderne tijd krijgt het rationalisme te maken met een bewustzijn bij de tegenstander dat zich steeds meer verschanst in loopgraven die tegen rationalisme bestand zijn. In principe kan men het spoor terug volgen tot in de dagen van de inquisitie. Als het waar is dat kennis macht is, zoals de arbeidersbeweging leerde, dan is het dus ook waar dat niet elke kennis welkom is. Omdat nergens waarheden te vinden zijn die zonder slag of stoot kunnen worden veroverd en omdat elk inzicht positie moet kiezen in het samenstel van hegemonieën en antirnachten, gaan de middelen waarmee men een inzicht tot gelding brengt bijna nog belangrijker lijken dan die inzichten zelf.” ( p 44)
Volgens mij is dit beschreven verzet tegen het rationalisme geenzins alleen maar negatief op te vatten, zeker niet als het rationalisme in de vorm van inquisitie optredt... [M.T.] Later schrijft sloterdijk dan ook over de ambivalente vorm van het rationalisme:
“Het rationalisme dringt het sociale bewustzijn niet zomaar binnen, als onproblematische bron van licht. Waar het aan het werk gaat ontstaat schemer, een diepe ambivalentie.” ( p 61)
“Het is niet aan ons een historische verklaring te geven voor de verduistering van de Verlichting. We weten dat zij in de achttiende en negentiende eeuw, ondanks tal van weerstanden en protesten, erin geslaagd is, met uitzicht op de eigen prestaties en plannen, overwegend produktief en progressief om te gaan met het ferment van de twijfel aan zichzelf. Ondanks alle tegenslagen en ontmoedigingen van de ontwikkeling kon het rationalisme immers geloven dat het de wet van de vooruitgang aan zijn kant had. Grote namen uit die tijd spreken van grote verworvenheden: Watt, Pasteur, Koch, Siemens. Men kan hun prestaties knorrig afwijzen, maar dat zou een humeurig gebaar zijn, geen gerechtvaardigde geste. De pers, de spoorwegen, de sociale diensten, de penicilline-wie zou kunnen ontkennen dat dit opmerkelijke vernieuwingen zijn in de 'Hof van het Menselijke'? Sinds de technische gruwelen van de twintigste eeuw echter, van Verdun tot aan de Goelag-archipel, van Auschwitz tot aan Hiroshima, kan de ervaring slechts honend staan tegenover alle optimisme. Historisch bewustzijn en pessimisme lijken op hetzelfde neer te komen” ( p 45)
“De drieledige polemiek: kritiek op de macht, bestrijding van de tradities en strijd tegen vooroordelen, maakt deel uit van de rationalistische overlevering. Alle drie komen ze neer op vechten met tegenstanders die geen zin hebben in een dialoog. Met hen wil het rationalisme spreken over zaken waarover hegemonieën en tradities liever zwijgen: rede, gerechtigheid, gelijkheid, vrijheid, waarheid, onderzoek. “ ( p 49)
Ook dit is volgens mij weer een positieve en potentieel niet-cynische kant van de verlichting: kritiek op de heersenden [M.T.] .
“Het rationalisme gaat deze dialoog aan met praktisch lege handen, met het breekbare aanbod van vrije instemming met het beste argument. Als het zich met geweld een weg kon banen, zou het geen rationalisme zijn, maar slechts een andere vorm van onvrij bewustzijn. - Het is dus inderdaad een feit: de mensen zijn in de regel om heel andere dan 'redelijke' motieven gehecht aan hun positie. Wat kunnen wij daar nog aan veranderen?
“Het rationalisme heeft getracht het beste te maken van deze situatie. Omdat het niets cadeau kreeg heeft het, vrijwel vanaf het eerste begin, naast de vreedzame uitnodiging tot een gesprek een tweede opstelling ontwikkeld, een vechtlustige houding.” ( p 50)
“Ideologiekritiek, dat is de polemische voortzetting van de mislukte dialoog met andere middelen.” ( p 51)
“Elke strijd leidt onvermijdelijk tot een wederzijdse objectivering van de subjecten. Omdat het rationalisme zijn pretentie dat het zijn betere weten doorzet ondanks een bewustzijn dat weigert te luisteren, niet kan opgeven, moet het in laatste instantie gaan 'opereren' achter het bewustzijn van de tegenpartij. Daardoor krijgt de ideologiekritiek een wreed trekje [...] “ ( p 52)
“De moderne ideologiekritiek heeft zich echter-volgens ons-noodlottigerwijs losgemaakt van de machtige lachtradities van de satirische kennis waarvan de filosofische wortels teruggaan tot het antieke kynisme. De moderne ideologiekritiek had al een serieuze pruik op en heeft zich in het marxisme en met name in de psychoanalyse voorzien van kostuum en das, om vooral maar burgerlijk-respectabel te lijken. De ideologiekritiek heeft afstand gedaan van haar leven als satire om zich als 'theorie' een plaats in de boeken te veroveren. Ze heeft zich teruggetrokken uit de levende vorm van verhitte polemiek naar de loopgraven van een koude bewustzijnsoorlog.”
[... In deze tijden van de rücksichtsloze polarisering van rechts is deze passage bij Sloterdijk verouderd.
In Nederland heeft rechts bijgeleerd, en is het cynisme gaan lopen in kleren van de satire.M.T.]
“ Het is geen toeval dat de grote vertegenwoordigers van de kritiek-de Franse moralisten, de encyclopedisten, de socialisten, met name Heine, Marx, Nietzsche en Freud - buiten de geleerdenrepubliek zijn gebleven. In al deze personen is een satirische, polemische component aan het werk, die zich eigenlijk niet geheel laat verbergen achter het masker van wetenschappelijke ernst.” ( p 56)
“Het recht van de ideologiekritiek op argumentatie ad personam is indirect zelfs erkend door de strengste absolutist van de rede, J. G. Fichte (door Heine treffend vergeleken met Napoleon), wanneer hij zegt dat de filosofie die men kiest afhankelijk is van de vraag wat voor mens men is.”( p 56)
“Daardoor raakt een ideologiekritiek die zich presenteert als wetenschap omdat zij geen satire mag zijn, steeds meer verstrikt in serieuze radicale oplossingen. Een daarvan is de opvallende neiging van deze kritiek om haar toevlucht te zoeken bij de psychopathologie. Verkeerd bewustzijn doet zich in eerste instantie voor als ziek bewustzijn. Bijna alle belangrijke studies uit de twintigste eeuw over het fenomeen 'ideologie' trekken één lijn-van Sigmund Freud via Wilhelm Reich tot Ronald Laing en David Cooper, en niet te vergeten Joseph Gabel, die de analogie tussen ideologie en schizofrenie het verst heeft doorgetrokken. Juist opstellingen die zichzelf luidkeels buitengewoon gezond, normaal en natuurlijk noemen, worden verdacht gemaakt als symptoom van ziekte. De inderdaad op feiten gebaseerde steun die de kritiek zoekt bij de psychopathologie loopt het risico de tegenstanders steeds meer te vervreemden; de ander wordt daardoor tot object gemaakt en van realiteit beroofd.”(p 57)
3 De acht ontmaskeringen-revue van de kritiek
“Wij willen observeren hoe hier en daar in de kritiek zelf uitgangspunten voor nieuw dogmatisme ontstaan.[...]
“Het rationalisme dringt het sociale bewustzijn niet zomaar binnen, als onproblematische bron van licht. Waar het aan het werk gaat ontstaat schemer, een diepe ambivalentie.” ( p 61)
3.1. Kritiek van de openbaring:
“Met de vraag: Hoe kan men dat weten? snijdt het rationalisme bijna elegant, zonder opvallende agressie, de wortels van de openbaringskennis door. Met de beste wil van de wereld kan de menselijke rede in de geheiligde tekst niet méér vinden dan historische hypothesen van de kant van mensen. Met een eenvoudig filologisch onderzoek wordt de aanspraak van de traditie op absolute geldigheid ontzenuwd. “ ( p 65)
3.2. Kritiek van de religieuze illusie
“Slim en strategisch concentreert de rationalistische kritiek van het fenomeen religie zich op de attributen Gods; de netelige kwestie van het 'bestaan' benadert ze slechts secundair. Of God 'bestaat' is in wezen niet het probleem; van belang is wat mensen bedoelen als ze zeggen dat hij bestaat en dat zijn wil zus en zo luidt.
Het gaat er dus in de eerste plaats om wat men beweert te weten omtrent God, afgezien van zijn bestaan. “ ( p 66)
[Dit is zeer goed gesteld, omdat het bestaan Gods op zich een zinloos thema is, M.T.]
“De religieuze tradities leveren daarvoor het materiaal. Aangezien God niet 'empirisch' bestaat, speelt de toedeling van goddelijke attributen aan de menselijke ervaring de beslissende rol in de kritiek. Onder geen voorwaarde kan de godsleer van de religies deze aanpak ontwijken - tenzij ze opteert. voor een radicale mysteriëntheologie of, meer consequent, voor de mystieke these van de onnoembare God. Die godsdienstfilosofisch juiste consequentie zou voldoende bescherming bieden tegen de vraag van de rationalistische detective naar de menselijke godsfantasieën die door de attributen aan het licht komen. Wanneer de religie het bij mystiek laat, kan zij echter geen sociale instelling worden” (p 66)
[Terwijl Peter Sloterdijk in dit hoofdstuk de rationalistische kritiek op de religie eerst zeer instemmend aanhaalt, keert hij zich uiteindelijk toch ook tegen het cynische rationalisme in de religiekritiek, M.T]
“De dieptepsychologie heeft duidelijk gemaakt dat niet alleen in religieuze wensvoorstellingen de illusie aan het werk is, maar ook in het nee tegen de godsdienst in het algemeen. Godsdienst zou een van die 'illusies' kunnen zijn die een toekomst hebben aan de zijde van het rationalisme, omdat puur negatieve kritiek noch teleurstelling haar volledig recht doet. Misschien is godsdienst inderdaad een ongeneeslijke 'ontologische psychose' (Ricceur], en moeten de furiën van de afschaffingskritiek het afleggen tegen de eeuwige terugkeer van hetgeen afgeschaft is. “ (p 78)
3.3 Kritiek van de metafysische schijn
“De superieure prestatie van het rationalisme van Kant is dat het heeft aangetoond dat de rede slechts betrouwbaar functioneert onder de voorwaarden van op ervaring gebaseerde kennis." Zodra de rede zich bezig houdt met wat verder gaat dan de ervaring, vraagt ze te veel van zichzelf, dat ligt in haar natuur besloten. Het is de aard van de rede dat ze meer wil dan ze kan. Volgens de logische kritiek zijn vruchtbare uitspraken over zaken voorbij de empirie niet meer mogelijk. Wel is het onvermijdelijk dat de metafysische hoofddenkbeelden God, ziel, heelal opkomen in het denken, maar met de gegeven middelen van het denken kunnen ze niet worden afgehandeld. Enig uitzicht zou nog blijven bestaan als die denkbeelden empirisch waren; omdat ze dat echter niet zijn mag de rede niet hopen ooit 'in het reine' te komen met deze ideeën. Het rationele apparaat is wel in staat om in deze problemen door te dringen, maar niet om met heldere, ondubbelzinnige antwoorden terug te keren van zulke uitstapjes naar 'gene zijde'. De rede zit als het ware achter een hek waardoorheen ze metafysische visioenen meent te ontvangen; wat ze daarbij eerst als 'inzicht' opvat, blijkt in het licht van de kritiek zelfbedrog te zijn.” ( p 78)
“Daarom was rationalisme altijd tegelijk ook logica en méér dan logica, gereflecteerde logica. Rationalisme is alleen mogelijk voor degene die inziet van welk deel van de wereld hij 'deel' uitmaakt.[....] Dit is terzelfder tijd de reden waarom rationalisme niet identiek kan zijn met een theorie van denkfouten, die een lange traditie bezit, van Aristoteles tot aan de Angelsaksische taalkritiek. Het gaat in het rationalisme nooit alleen om de ontmaskering van projecties, metabases, verkeerde redeneringen, drogredenen, vermenging van logische typen, verwarring van basisstelling en interpretatie enzovoort, maar in de eerste plaats om de eigen ervaring van de menselijke aard in de moeite die het kost naïeve beelden van het zelf en de wereld kritisch uit de weg te ruimen.
De eigenlijke rationalistische traditie heeft daarom steeds bevreemd gestaan tegenover het moderne logisch-positivistische cynisme, dat het denken geheel trachtte op te sluiten in de ton van de zuivere analyse. Toch is het de moeite waard de fronten duidelijk af te bakenen. De logische positivisten, die de grote thema's van de filosofische traditie belachelijk maken als 'schijnproblemen', radicaliseren een tendens die kenmerkend is voor het rationalisme. Dat men zich afwendt van de'grote problemen' geschiedt op grond van kynische inspiratie. Is Wittgenstein niet in wezen de Diogenes van de moderne logica, en Carnap niet reeds de woestijnheilige van de empirie? Het is of zij met hun strenge intellectuele ascese de nonchalant babbelzieke wereld wilden dwingen tot boetedoening, die wereld waarvoor de logica en het empirisme geen ultieme openbaringen meer zijn en die zich in haar honger naar 'nuttige ficties' onbewogen blijft gedragen alsof de zon toch om de aarde draait en alsof de luchtspiegelingen van een 'onnauwkeurig' denken toch nauwkeurig genoeg zijn voor ons leven in de praktijk.
” (p 80/81)
[Ook in het overwegend cynisch logisch positivisme kan een kynische tendens worden ontwaard, als men goed kijkt..., zo begrijp ik Sloterdijk hier M.T.]
3.4 Kritiek van de idealistische bovenbouw
“De kritiek van Marx gaat duidelijk een stap verder dan alle kritieken voordien: zij is gericht op een integrale 'kritiek van de hoofden'. Zij wenst de hoofden opnieuw te zetten op het totaal van levende en werkende lichamen; dat is de zin van de dialectiek van theorie en praktijk, brein en hand, hoofd en buik.
De kritiek van Marx laat zich leiden door een realistische visie op de maatschappelijke arbeidsentwikkelingen. Wat in de hoofden zit, zo zegt hij, blijft 'in laatste instantie' bepaald door de sociale functie van de hoofden in de economie van de totale maatschappelijke arbeid. Daarom heeft de sociaaleconomische kritiek weinig respect voor wat het bewustzijn over zichzelf te zeggen heeft. Haar motief blijft het uitzoeken wat 'objectief' het geval is. Daarom ondervraagt zij elk bewustzijn naar wat het weet van zijn eigen plaats in het samenstel van arbeid en macht.” ( p 81)
“Wanneer men het marxisme ziet als bevrijdingstheorie, dan benadrukt men de emancipatorische bewustzijnsvorming van het proletariaat en zijn bondgenoten” ( p 85)
[Dit-het emancipatorische gedeelte- is dan de kynische kant van het marxisme , M.T.]
“In een andere visie komt uit de kritiek van Marx een 'antihurnanistische", 'realistische' aanpak te voorschijn. Het accent ligt hier niet op de dialectiek van de bevrijding, maar op de mechanismen van de universele mystificatie. Wanneer elk bewustzijn precies zo verkeerd is als overeenkomt met zijn plaats in het proces van produktie en macht, blijft het onvermijdelijk opgesloten in zijn verkeerdheid zolang dit proces aan de gang is. En dat het in volle gang is wordt door het marxisme immers dagelijks, van uur tot uur, beklemtoond. Op die manier draagt het verborgen functionalisme van Marx' theorie vruchten. Voor dit functionalisme bestaat tot op heden geen scherpere formulering dan de beroemde Uitspraak over het 'noodzakelijkerwijs verkeerde bewustzijn'. Vanuit deze optiek wordt het verkeerde bewustzijn geobjectiveerd opgenomen in het systeem van objectieve verblindingen. Verkeerd zijn is een functie van het proces. Op dit punt nadert het marxistische systeemcynisme zeer dicht tot het cynisme van de bourgeois-functionalisten, alleen in omgekeerde toonzetting.”
[Met andere woorden: dit – het functionalime- is de cynische, problematische kant van het marxisme, M.T.]
3.5. Kritiek van de morele schijn
“Dat de mens in werkelijkheid niet is wat hij beweert te zijn is een oeroud motief van het moraalkritische denken. Jezus heeft het voorbeeld gegeven in zijn aanval op allen die liefdeloos anderen veroordelen: 'Hoe zult gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is? Huichelaar ... ' (Mt. 7: :1-5)· “( p 88)
“De christelijke reflexieve ethiek-de terugkeer tot het zelf bij elk oordeel- bevat politiek buskruit. Omdat de 'Freiheit eines Christenmenschen' ieder naïef geloof in normen opheft, zijn christelijke samenwerking en christelijke coëxistentie niet meer mogelijk op basis van de staat (civitas), dat wil zeggen: de gedwongen gemeenschappelijkheid, maar alleen op basis van maatschappelijkheid (communitas, societas: communisme, socialisme). De reële staat heeft blinde onderdanen nodig terwijl de societas zichzelf alleen kan zien als commune van 'ontwaakte' individualiteiten.[....] De oorspronkelijke gedachte van de kerk bevat nog iets van dit communio-model. Dit gaat echter snel verloren bij de overgang naar georganiseerde kerkelijkheid” (p 89)
3.6 Kritiek van de transparantie
“de gedachte dat het bewustzijn niet alles weet van zichzelf” ( p 101)
“De burgerlijk-positivistische rationalistische partij voelde van oudsher al onbehagen jegens de onafzienbare, subversieve dimensies van de nieuwe categorie die het onbewuste vormde.(p 102)
Sloterdijk beschrift eerst de vernieuwende en kynische kracht van de psychoanalyse, en haar cynische variante:
“Deze tot sport gemaakte vorm van chronische analyse van zichzelf en anderen leidt tot minstens twee verkeerde opstellingen: in de eerste plaats tot een heilloze intellectualisering van de psychoanalyse, die daardoor een toevluchtsoord wordt voor kille gevoelens en voor een symptomatisch rationalisme dat hier het juiste medium heeft gevonden om onder het voorwendsel van iets anders geheel zichzelf te blijven; ten tweede tot een inflatie van het infantiele, dat door permanente koppeling aan de actualiteit geraffineerd versterkt kan worden.”(p 105)
3.7. Kritiek van de natuurlijke schijn
Over het cynisch conservatisme:
“Met ontzette genoegdoening zagen de conservatieven de Franse Revolutie ontaarden in terreur en oorlog. Niets heeft sindsdien het conservatieve mensbeeld zo krachtig ondersteund. Het meent te weten dat de menselijke natuur, zodra men haar hier en nu loslaat, geen optimisme verdient of fraaier moet worden voorgesteld dan ze is. Het conservatieve denken is op dit punt positivistisch getint. Zonder eerst naar oorzakelijk verband te vragen registreert het dat mensen zich heel vaak egoïstisch, destructief, hebzuchtig, onverstandig en antisociaal gedra gen. Dat is ook de reden waarom voor elk conservatisme de criminaliteit zo buitengewoon belangrijk was en is-omdat het 'denken op korte termijn' hierin het doorslaggevende bewijs ziet voor een pessimistische mensbeschouwing die op haar beurt weer de grondslag levert voor autoritaire, streng bestraffende politiek. Er 'zijn' vanuit dit standpunt in de natuur dus reeds misdadigers, domoren, querulanten, egoisten en rebellen-precies zoals er bomen, koeien, koningen, wetten en sterren zijn.” ( p109/110)
[Rousseau daarentegen zegt] : “De bewijsstukken van het politieke pessimisme: de misdadiger,de krankzinnige, de asociaal, kortom: de onmondige mens, zijn niet van nature zoals ze nu zijn, maar zijn zo gemaakt door de maatschappij. Nooit hebben zij, zo zegt Rousseau, de kans gekregen te worden zoals ze in wezen zijn, ze zijn door armoede, dwang en onwetendheid gebracht in de situatie waar ze zich bevinden. Ze zijn slachtoffers van de maatschappij. ( p 110)
“Rousseau bezit twee helpers die zijn visie moeten illustreren, twee typen mens die vóór de beschaving en dus vóór de perversie leven: de nobele wilde en het kind. Rond deze beide figuren leeft de rationalistische literatuur twee van haar dierbaarste hartstochten uit: de volkenkunde en de pedagogie; daarin is tot op heden in wezen niet veel verandering gekomen” ( p 111)
[...de volgende 20 pagina’s missen in mijn Nederlandse uitgave..]
Over de politiek van de massa’s ““Politiek bestaat uit een sociale clinch die alleen genoegdoening kan schenken aan degenen die a priori zullen winnen - de elite, de rijken, de eerzuchtigen, de mensen die zichzelf als de besten ervaren bij het maken van politiek. Daarom houdt de socialistische oproep aan de arbeiders tot politiek engagement steeds tevens een gedeeltelijke kneveling van het proletarisch realisme in.” ( p 130)
Sloterdijk is in navolging van Nietzsche kritisch tegenover de arbeiderbeweging, met name het resssentiment daar.”
“ 'Wie arm is, is daarom nog lang niet goed en wijs' (E. Kästner, Fabian, 1931, citaat p 136).
Sloterdijk pleit voor de noodzaak van creativitieit of de wil tot creativiteit in de socialistische bevrijdingswens:
“Het regeneratievermogen van verheven gevoelens is gebaseerd op de culturele en existentiële creativiteit van de desbetreffende klasse. Macht zonder meer krijgt ten slotte zelfs genoeg van zichzelf. Waar de vreugde in de politiek . gereduceerd is tot de eerzucht van de heersers zal uiteindelijk vitaal verzet van de massa onvermijdelijk zijn. Toch vindt men op dit punt ook de oorsprong van een objectief proletarisch minderwaardigheidsgevoel. De loonarbeid creëert abstracte waarde. Ze is produktief zonder creatief te zijn. De afstomping van de industriële arbeid vormt een voorlopig onneembaar bastion voor een reëel klassenarcisme van het proletariaat. Alleen daaruit echter zou de culturele hegemonie van produktieve mensen kunnen voortkomen. Een cultuursysteem dat gebaseerd is op een primitieve arbeidsideologie daarentegen is niet in staat het meest waardevolle uit de erfenis van aristocratische en burgerlijke cultuur over te nemen: de lustpolitiek van een creatief bestaan. De socialistische manier van overnemen van erfenissen heeft de oude gebreken versterkt en de oude voordelen verkleind. Erfgenaam zijn van adel en bourgeoisie kan in een beschaving van het 'dolce vita' alleen betekenen: de gebreken van de voorgangers vermijden, en zich hun kracht toeëigenen. Iets anders zou de moeite niet waard zijn. “( p 136 f)
Sloterdijk schrijft
uitvoerig over zelfrefelctie, persoonlijk identitiet en :”de ware ervaring van onszelf als oorspronkelijk
'niemand'”.( p 139 ff)
Niemand te zijn is een creatieve bevriding volgens Sloterdijk, en hij volgt
hierin Nietzsche en diens waardering voor de zelfvergetelheid in de roes.
“De zelfbewuste niemand in ons-die pas door zijn 'sociale geboorte' naam en identiteit krijgt-is degene die de levende bron van vrijheid blijft. Het is de levende niemand die, ondanks de gruwelen
van de socialisatie, herinneringen bewaart aan de energetische paradijzen 'onder' de persoonlijkheid. De grondslag van die levende niemand is het lichaam met tegenwoordigheid van Geest, dat wij niet nobody, maar yesbody zouden moeten noemen, en dat zich kan ontplooien tijdens de individuatie van areflexief 'narcisme' tot 'ontdekking van het zelf in de wereld als geheel'. Daar vindt het laatste rationalisme als kritiek van de particuliere, egoïstische schijn zijn einde.” ( p 140)
en Sloterdijk benoemt niemand-held Odysseus tot held van de geschiedenis.
Hoofdstuk 4 Na de ontmaskeringen: Cynische schemer. Schetsen over de zelfherroeping van het rationalistische ethos
“Het rationalisme heeft een omgewoeld intellectueel-psychisch terrein gecreëerd waarop oude vormen van traditie, identiteit en karakter zich niet meer kunnen handhaven. Het gezamenlijk effect van deze activiteiten is het complex van een moderne tijd waarin het leven weet dat het uitgeleverd is aan een continuüm van de crisis. “( p 142)
4. 1. Rationele voorkoming van rationalisme
“....[zo ] loopt het rationalisme stuk op het verzet van tegengestelde machten (hegemonie, traditie, vooroordeel). Omdat kennis macht is, moet iedere hegemonie die door de 'andere kennis' wordt geprovoceerd, proberen centraal te blijven staan in alle kennis. Niet elke macht is echter het juiste centrum voor alle kennis. Kennis op grond van reflectie laat zich niet losmaken van zijn subject. Daarom blijft de hegemonieën slechts één middel over: de subjecten van een mogelijke contramacht scheiden van de middelen om over zichzelf na te denken. Dat is de oorzaak van de oeroude geschiedenis van het 'geweld tegen denkbeelden' ; het is geen geweld tegen personen, noch ook tegen zaken in triviale zin; het is geweld tegen de ervaring van het zelf en de zelfexpressie van personen die gevaar lopen te ontdekken wat zij niet horen te weten. De geschiedenis van de censuur wordt door deze formulering in een notedop samengevat. Het is de geschiedenis van de politiek die zich tegen de reflectie richt. Op het moment dat mensen rijp worden voor de waarheid over zichzelf en hun sociale omstandigheden, hebben de machthebbers van oudsher geprobeerd de spiegel stuk te slaan waarin de mensen zouden kunnen zien wie ze zijn en wat er met ze gedaan wordt. ”( p 143)
“Alleen op basis van een kritiek van het cynisme kan men verder komen dan
de afgezaagde tegenstelling tussen theorie en praktijk; alleen deze vorm van kritiek kan de schoolse dialectiek van 'ideaal'
en 'werkelijkheid' achter zich laten. Door een kritiek van de cynische rede kan het rationalisme een nieuwe kans krijgen en zijn diepste bedoeling trouw blijven: het zijn veranderen door bewustzijn. “ ( p 150)
4. 2. Breking van het licht van het rationalisme
4.2.1 De breking door de tijd
Over modern leren:
“In het moderne schoolsysteem is de gedachte van inzichten die gepersonifieerd worden door docenten en studenten, afgezwakt. De professoren zijn zeer bepaald geen 'belijders' meer, maar trainingsleiders bij cursussen voor een kennisverwerving die niets met het leven te maken heeft. De universiteiten en scholen onderwijzen een schizoïde rollenspel, waarin ontmotiveerde, uitzichtloos-intelligente jongeren algemene richtsnoeren voor rationele zinloosheid leren internaliseren. “ ( p 153)
4.2.2 De breking in de partijen
4.2.3 De breuk in de sectoren
4.4.4 De breking door de intelligentsia
Terwijl het Sloterdijk om de redding van een zinvol rationalisme te doen is, is hij ook een beschermer van zogenoemd irationeel denken, maar dan wel in een satrisch-humoritstische versie:
“Wat Georg Lukács bij voorbeeld heeft aangevallen als het 'irrationalisme' in het moderne burgerlijke denken-de 'vernietiging van de rede' bevat in wezen een volstrekt rechtmatige impuls van een ander soort intelligentie om zich los te maken van de natuurwetenschappelijk-rationalistische hegemonie. Te verwijten valt het irrationalisme van Bergson tot Klages alleen dat het zichzelf veel te serieus nam. Het is met zijn serieuze pretenties op hol geslagen en spreekt plechtig en priesterlijk, terwijl een grootse filosofische clownerie veel meer op zijn plaats was geweest.[...] De burgerlijke, dwangmatige ernst heeft de satirische, poëtische en ironische mogelijkheden van het irrationalisme verpest. Wie het 'andere' ziet, hoort het ook anders te formuleren. Wie echter datgene wat hij voorbij de rationaliteit in engere zin heeft 'begrepen', uitgerekend presenteert met de pretentie van hoogst serieus inzicht, corrumpeert beide, zowel het irrationele als het rationele.” ( p 159)
“Het moderne type kennis heeft echter een verdorrend effect op de levende waakzaamheid [...] Een van de belangrijkste motieven van de wijsheidsliteratuur is een waarschuwing voor onechte schranderheid, voor weten met het hoofd alléén en eerbied voor geleerden, voor machtsdenken en arrogant intellectualisme.”( p 160)
4.3 Het intrappen van half openstaande deuren
[...]
Sloterdijk gaat uitvoerig in op ene kritiek op de cynismen van het Marxisme daar waar het naar “objectiviteit” streeft: “Deze schizoïde, hooghartig-cynische logica” ( p 173)
5 'Op zoek naar de verloren vrijpostigheid'
5.1. Griekse filosofie van de vrijpostigheid: kynisme
“Het antieke kynisme is, in zijn Griekse oorsprong althans, principieel vrijpostig. Die vrijpostigheid bevat een methode die de moeite van het ontdekken waard is. Ten onrechte wordt dit eerste echte 'dialectisch materialisme', dat verge leken met de grote systemen van de Griekse filosofie-Plato, Aristoteles en de Stoa-ook een existentialisme was, beschouwd als niet meer dan een saterspel, als een deels grappige, deels onsmakelijke episode, en daarom verder genegeerd.”( p 180)
“Scheiding tussen persoon en zaak, theorie en praktijk komt in deze elementaire visie totaal niet aan de orde - of het moest zijn als symbool van vertroebeling. Een leer belichamen wil zeggen: zichzelf tot medium maken. Dat is het tegendeel van wat men eist bij het moralistische pleidooi voor handelen volgens strenge idealen. Wanneer wij luisteren naar wat belichaamd kan worden, blijven wij gespaard voor morele demagogie en de terreur van radicale, maar niet na te leven abstracties. (De vraag luidt niet: wat is deugd zonder terreur?, maar: wat is terreur anders dan consequent idealisme ?) “ ( p 181)
“Het optreden van [de kyniker] Diogenes markeert het meest dramatische moment in het waarheidsproces van de vroege Europese filosofie: terwijl de 'verheven theorie' vanaf Plato onherroepelijk de draden naar materiële belichaming doorsnijdt, om de draden van de argumentatie des te meer ineen te vlechten tot logische weefsels, duikt een subversieve variant van lage theorie op, die de praktische belichaming in een groteske pantomime op de spits drijft.( p 181)
“Met Diogenes begint in de Europese filosofie het verzet tegen de doorgestoken kaart van het 'discours', het vertoog.” ( p 182)
“In een cultuur waar verstard idealisme de leugen tot levensvorm maakt, is het waarheidsproces afhankelijk van de vraag of er mensen te vinden zijn die voldoende agressief en vrij ('schaamteloos') zijn om de waarheid te zeggen.” ( p 182)
“Het Griekse kynisme ontdekt dat het animale menselijk lichaam en zijn gebaren argumenten kunnen zijn; het ontwikkelt een pantomimisch materialisme. Diogenes weerlegt de taal der filosofen met die van de clown: 'Toen Plato de definitie opstelde dat de mens een ongevederd tweebenig dier is, en daarvoor bijval oogstte, plukte hij een haan kaal en bracht hij die naar Plato's school met de woorden: "Zie hier Plato'smens" ; daarom voegde men aan de definitie toe: "met afgeplatte nagels'" (Diogenes Laërtius, VI/40). [...] niet het aristotelisme - is de ware filosofische antithese van Socrates en Plato. Machtsdenkers zijn Plato en Aristoteles allebei, al klinkt in de ironie van Plato en zijn dialectische allures nog iets door van Socrates' plebejische straatfilosofie, Diogenes en de zijnen plaatsen daartegenover een essentieel plebejische reflectie” ( p 183)
“Pas deze theorie van vrijpostigheid maakt een politieke geschiedenis van strijdbare reflectie mogelijk. Daardoor kan de geschiedenis van de filosofie een dialectische sociale geschiedenis worden: het is de geschiedenis van de belichaming en de splitsing van bewustzijn.
Sinds echter het kynisme het uitspreken van de waarheid afhankelijk heeft gemaakt van factoren als moed, vrijpostigheid en risico, ontstaat in het waarheidsproces een voordien ongekende morele spanning; ik noem dat de dialectiek van de ontremming. Wie zich de vrijheid veroorlooft een confrontatie aan te gaan met de heersende leugens, provoceert een klimaat van satirische ontspanning waarin ook de mach tigen, inclusief hun machtsideologen, affectief ontremd raken- en dat komt door het kritisch affront van kynische zijde. Terwijl echter de kynicus zijn 'vrijpostigheden' schraagt met een leven in ascetische integriteit, reageert het idealisme van de geattaqueerden met een als verontwaardiging vermomde ontremming, die in het ergste geval ontaardt tot uitroeiing. Een van de kenmerken van de macht is dat zij alleen om haar eigen grappen wenst te lachen. “ ( p 184)
5.2 Tegen de idealistische wind in pissen
“Vrijpostigheid kent in wezen twee posities: boven en beneden, hegemonie en contrarnacht, ouderwets gezegd: heer en knecht.”( p 184)
“Het kynisme is de eerste repliek op het Atheense heersersidealisme die verder gaat dan een theoretische weerlegging. Het spreekt het idealisme niet tegen, het leeft ermee in strijd. Het is mogelijk dat Diogenes een gestalte is wiens optreden te verklaren valt uit concurrentie met Socrates; zijn bizar gedrag is misschien een poging de listige dialecticus langs komische weg te overtroeven. Daarmee is echter niet alles gezegd - het kynisme geeft een nieuwe wending aan de vraag hoe men de waarheid zegt.
Het academische gesprek tussen filosofen biedt niet voldoende ruimte voor de materialistische positie-en het kán die ruimte ook niet bieden omdat het gesprek zelf al iets als een idealistische afspraak vooronderstelt. Waar alleen maar gepraat wordt, voelt een existentieel materialisme zich bij voorbaat niet begrepen.
Uit de dialoog tussen de hoofden zullen immers steeds slechts 'hoofdtheorieën' te voorschijn komen, en een dialectiek van hoofden zal zich spoedig verheffen boven de tegenstelling tussen idealisme en 'hoofdmaterialisme'. Met sofisten en theoretische materialisten rekent Socrates heel gemakkelijk af zodra hij ze tot een gesprek kan verleiden, want daar is hij als meester in het tegenspreken onoverwinnelijk. Socrates noch Plato weet echter wat hij met Diogenes aanmoet-want hij praat met hen 'ook anders', in een dialoog met huid en haar. Zo moest Plato wel zijn toevlucht nemen tot hekeling van deze griezelige, ongrijpbare tegenstander. Hij noemde hem een 'dolgeworden Socrates' (Sokrates mainoumenos). Die uitspraak wil vernietigend zijn, maar is een toppunt van lof. Tegen zijn zin in plaatst Plato zijn rivaal op hetzelfde niveau als Socrates, de grote dialecticus. Dit is een waardevolle vingerwijzing van Plato. Daaruit blijkt dat bij Diogenes iets verontrustends was gebeurd met de filosofie, iets dat desondanks onvermijdelijk was. In de hondenfilosofie van de kynicus ziet men namelijk een materialistische positie die het kan opnemen tegen de idealistische dialectiek. Deze positie bezit de wijsheid van originele filosofie, het realisme van de materialistische basishouding en de vrolijkheid van een ironische religiositeit. Ondanks al zijn krasse staaltjes is Diogenes niet verkrampt in de oppositie, gefixeerd op tegenspraak; zijn leven wordt gekenmerkt door een humoristische zelfverzekerdheid zoals alleen soevereine geesten die kennen.
In het idealisme, waar de orde van maatschappij en wereld wordt gerechtvaardigd, staan de ideeën bovenaan en stralen ze in het licht van de aandacht; de materie is beneden, niet meer dan een afschaduwing van de idee, een schim, iets smerigs. Hoe kan de levende materie zich verweren tegen deze onderstelling? Aan de academische dialoog mag ze niet deelnemen, ze is alleen toegelaten als thema, niet als existentie. Wat doet men dan? Het materiële, het waakzame lichaam, begint actief te bewijzen dat het soeverein is. Het buitengesloten 'lage' gaat naar het marktplein en provoceert demonstratief het 'hogere'. Uitwerpselen, urine, sperma! ”(p 184/5)
“Nu zou men daartegenin kunnen brengen dat het animale een alledaagse particuliere lichamelijke ervaring is die geen publiek spektakel verdient. Misschien is dat wel zo, maar daar gaat het niet om. Dit 'smerige' materialisme is niet alleen een antwoord op een overtrokken machtsidealisme dat de rechten van het concrete onderschat. De animaliteiten zijn bij de kynicus onderdeel van zijn eigen stilering, maar tevens een vorm van argumentatie. De kern is existentialisme. De kynicus moet, als dialectisch materialist, de openbaarheid provoceren omdat die de enige ruimte is waar de overwinning op de idealistische arrogantie zinvol ten tonele kan worden gevoerd. Het denkend materialisme stelt zich niet tevreden met woorden, maar gaat over tot een materiële argumentatie die het lichaam rehabiliteert. Goed, de idee troont in de academie, en de urine drupt discreet in de latrine. Maar urine in de academie! Dat zou de dialectische topprestatie zijn, de kunst van het pissen tegen de idealistische wind.
Het lage, afgesplitste, particuliere op straat brengen, dat komt neer op subversiviteit. Dat is tegelijkertijd, zoals we zullen zien, de cultuurstrategie van de bourgeoisie die niet alleen de culturele hegemonie heeft veroverd door de ontplooiing van wareneconomie, wetenschap en techniek, maar ook door een-in het geheim door het materialisme geïnspireerde - openbaarmaking van het particuliere, van de wereld van liefde, gevoelens, lichaam en innerlijk met alle bijbehorende zinnelijke en morele complicaties. Sinds zo'n tweehonderd jaar zien wij een permanente beweging van het particuliere naar de openbaarheid, zij het dan dat daar steeds tegen gestreden wordt; een sleutelrol spelen daarbij de sexuele ervaringen, omdat daar de dialectiek van de particuliere afsplitsing en de terugkeer in de openbaarheid zich met voorbeeldige kracht opdringen. De burgerlijke cultuur met realistische neigingen kan gewoon niet anders dan de draad van de kynische culturele revolutie weer opnemen. “ (p 186)
De laatste passage duidt erop dat ook het kynische element weer geperverteerd terug kan komen, namelijk als instrumentele openbaarmaking van het particuliere.. Het reflectieve verzetselement en de filosofische basis van het oorspronkelijk kynimse verdwijnt dan; het kynisme verkeert zich in cynisme. [M.T.]
Maar er is ook een echt kynisch-burgerlijk verzet tegen de verstarring van de politiek:
“Politiek is gisteren en heden namelijk meer dan ooit zoals de kynici van de uiteenvallende Griekse stadstaten haar ervoeren: een gevaarlijke, gedwongen onderlinge verhouding van mensen, een sfeer van bedenkelijke carrières en twijfelachtige ambities, een mechanisme van vervreemding, het niveau van oorlog en sociaal onrecht-kortom: de hel waarin het bestaan van machtswellustige anderen ons verplaatst.” (p 188)
5.3 Burgerlijk neokynisme: de kunsten
Dat de impuls tot zinnelijke belichaming [ in de loop van de het lichaam ontkennede cultuurgeschiedenis] niet totaal is verdwenen, is eigenlijk de verdienste van de burgerlijke kunst (voor een ander deel ook van de maatschappelijke rebellen, met wie we ons hier echter niet bezig houden). De filosofisch belangrijke dramatiek van de burgerlijke kunsten is gebaseerd op het feit dat zij een neokynische stroming tot leven wekken - al noemen ze het misschien niet zo. Maar wanneer zij 'natuur' zeggen, of genie, waarheid, leven, expressie enzovoort-dan is er sprake van de kynische impuls. ( p 189)
“Wel was de burgerlijke kunst gedoemd de zinnelijke totaliteit uit te beelden, áls ze dat al deed, in de vorm van fictie; door dit zwakke punt hebben de burgerlijke antiburgers telkens weer de aanval van het neo-kynisme op de afkapseling en belastering van het zinnelijke moeten vernieuwen. Zij wilden het recht op leven van het buitengesloten lagere met lichaam en ziel verwerkelijken-voorbij de schijn. Dat is een van de redenen waarom de kunst zo loert naar het 'leven'; dat is haar kynische impuls die zich uit de fictie wil losmaken, met een sprong de werkelijkheid in wil.
In de bloeitijd van de burgerlijke kunsten was een enorme honger naar negativiteit aan het werk-niet in de laatste plaats omdat daarin het geheim van het levende schuilt. Telkens weer hebben bevrijdende negativismen de neiging tot harmonische stilering doorbroken. Het verlangen naar harmonie werd steeds opnieuw bestreden door een zinnelijk realisme. “( p 191)
“De kunst bleef een sfeer vormen waar men principieel 'allebei' mocht wetenzoals Pascal geëist had van het inzicht in de condition humaine dat het allebei weet, het grote en het kleine, het engelachtige en het duivelse, het hoge en het lage. De grote kunst was op zoek naar een totaal dat uit uitersten bestond, niet naar een middenveld zonder spanningen.”( p 192)
“De kunst schreeuwt om leven zodra de kynische impuls daarin aan het werk gaat. Overal waar het om esthetische technieken gaat, in de pers, in radio en tv, in de reclame en in de esthetische vormgeving, wordt deze kreet in zijn fictioneel ingeperkte vorm onder de massa gebracht. Hier treedt de kunst nog op als het behaagzieke, hier vindt men nog schoonheid voor een krats. “
Dus de esthetische technieken maken de kunst on-kynisch en ongevaarlijk..[ M.T]
5. 4 Cynisme als vrijpostigheid die voor de andere partij heeft gekozen
“Vrijpostigheid van onderaf is effectief wanneer daarbij reële energie vrijkomt. Haar kracht moet bewust belichaamd worden en besluitvaardig een realiteit creëren die men hoogstens kan bestrijden, maar niet loochenen.”
“De religieuze vrijpostigheid ten slotte, de blasfemie, ontmaskert de vrome ernst wanneer deze wordt aangevallen door de fysiologisch onweerstaanbare energie van het lachen. ” ( p 194)
5.6. Vrijpostige sociale geschiedenis
Sloterdijk noemt hier Tijl Uilenspiegel; en de carnaval.
“Eveneens sinds de late middeleeuwen hebben de universiteiten hun betekenis verworven in de sociale economie van vrijpostigheid en kynische intelligentie. Dat waren bepaald niet uitsluitend oorden waar men aan onderwijs en onderzoek deed; hier ravotte ook steeds een jeugdige extravagante vaganten-intelligentsia die wel zo wijs was méér te weten dan alleen maar stampwerk.”( p 205)
“De bohème ten slotte, een relatief jong verschijnsel, heeft een enorme rol gespeeld voor de regulatie van de spanningen tussen kunst en bourgeois-maatschappij.”( p 206)
|
|
“Wanneer wij tegenwoordig kijken naar deze voedingsbodems en levensruimten, waar dissidentie en kritiek, satire en vrijpostigheid, kynisme en eigenzinnigheid gedijden, dan zien wij onmiddellijk waarom wij voor het belichaamde vrijpostige rationalisme het ergste moeten vrezen. De steden zijn waar wij bij stonden veranderd in vormeloze klompen waar verkeersstromen de mensen transporteren naar de diverse schouwtonelen van hun geslaagde en mislukte pogingen tot leven. Carnaval betekent al lang niet meer de 'omgekeerde wereld', maar een vlucht naar de veilige wereld van de verdoving vanuit een chronisch op zijn kop staande wereld vol dagelijkse absurditeiten. Van de bohème weet men dat ze op zijn laatst sinds Hitler dood is, en in haar uitlopers in de subculturen heerst niet zozeer vrijpostige grilligheid als wel de gedeprimeerde stemming van de aftocht. En wat de universiteiten betreft-ach, laten we daar maar over zwijgenDeze verminking van de vrijpostige impulsen wijst erop dat de maatschappij een stadium van georganiseerde ernst heeft bereikt, waar de speelruimten voor levend rationalisme steeds meer worden dichtgetimmerd.”( p 207)
5.7 Belichaming of splitsing
Sloterdijk bepleit hier een “belichaamd rationalisme”:
“[belichaamd] rationalisme wil zeggen dat men ja zegt tegen alle anti-schizofrene bewegingen. De universiteiten zijn wel de laatste plaats waar dat gebeurt. De universitas vitae wordt onderwezen in een andere omgeving, waar mensen zich verzetten tegen het cynisme van het gespleten officiële bewustzijn, waar zij het proberen met levensvormen die bewust leven in hoofd, lichaam en ziel een kans geven. Deze universitas ontplooit zich in brede kringen van individuen en groepen die blijven vasthouden aan de kynische impuls en een proef nemen met wat geen politiek en geen kunst ze zonder meer afneemt: zij willen met waakzaamheid optreden tegen de binnensijpelende splitsingen en onbewustheden in het individuele bestaan; naar de eigen mogelijkheden toegroeien; en deelnemen aan het vrolijk makende karwei van het rationalisme, en daarbij hoort dat men aandacht heeft voor verlangens die een voorafschaduwing van het mogelijke zijn. “ (p 210)
“Kynische rede vindt zijn hoogtepunt in het-ten onrechte als nihilisme beschouwde-inzicht dat men de grote doelstellingen een blauwtje moet laten lopen. Wat dat betreft kan men niet nihilistisch genoeg zijn. Wie alle zogenaamde doelstellingen en waarden in kynische zin afwijst, verbreekt de tovercirkel van de instrumentale rede, waar 'goede' doeleinden worden nagestreefd met 'slechte' middelen.”( p 316)