Christoph Hein: Passage

 

Maria Trepp

(mail via www.passagenproject.com)

 

pdf-versie: www.passagenproject.com/christoph_hein_passage_analyse.pdf

 

 

Christoph Heins toneelstuk “Passage” zorgt al 12 jaar lang voor een wetenschapsconflict aan de Universiteit Leiden, welke inmiddels in een smaad-proces is uitgelopen dat nu in 2011 in hoger beroep gaat.

 

De opleiding Duits aan de Universiteit Leiden wilde in juni 2000 een toneelstuk uitvoeren, Passage van Christoph Hein. Het stuk zou voor scholieren gespeeld werden en zou de Universiteit Leiden naar buiten toe representeren. De uitvoeringsplannen stootten op een grote weerstand in de groep studenten, die het stuk zou spelen. Het protest van de studenten richtte zich tegen de literaire kwaliteit van het stuk en tegen de antisemitische tendensen van het stuk. In Passage wordt de joodse literatuurtheoreticus Walter Benjamin als een impotente parasiet, als een nutteloze wetenschapper een als een loser voorgesteld, wiens zelfmoord op de vlucht voor de nazi’s  aan de ene kant een laffe daad was, die toch aan de andere kant te prijzen is omdat de samenleving deze loser beter kwijt kan zijn.

 

Prof. A. V., hoogleraar Duits, heeft dit stuk inhoudelijk verdedigd tegen kritische studenten die het stuk niet wilden spelen, en heeft een open discussie over het stuk geweigerd met de reden, dat de studenten niet genoeg levenservaring hadden om het stuk te kunnen beoordelen.

 

Ik schreef op eigen initiatief een scriptie over Passage (zie www.passagenproject.com/scriptie.html) die door de opleiding Duits werd afgewezen. Ik ben later met een tweede scriptie cum laude bij Duits afgestudeerd (www.passagenproject.com/scriptie2.html ), maar alleen nadat deze tweede scriptie wederom werd gecensureerd (het slothoofdstuk moest worden verwijderd).

 

Later heb ik mijn argumentatie rond het stuk Passage nog verder uitgewerkt in een omvangrijk Duits document, dat de basis is voor een toekomstig proefschrift.

De hele zaak Passage is nu (2011) nog volop in beweging en in maatschappelijke belangstelling door het daaraan gekoppelde Passagenproces, dat in nu in hoger beroep dient.

Ik zal hier in Nederlandse vertaling een samenvatting van mijn kritiek op het stuk Passage geven. Voor een uitgebreide documentatie en alle referenties verwijs ik naar de Duitse tekst (www.passagenproject.com/inhalt.html)

 

Voor de analyse van het toneelstuk heb ik gebruik gemaakt van de systematische analysemethode voor drama van prof. dr. Manfred Pfister. Ik heb mijn uitvoerige Duitse versie van de Passage- analyse aan Manfred Pfister gestuurd en hij schreef terug dat hij zeer tevreden was over de manier waarop ik van zijn methode gebruik heb gemaakt, en dat ik het precies zo had gedaan als hij het bedoeld had.

 

De drama-anayse van Manfred Pfister is een instrument waarmee de structuur en het wereldbeeld van een toneelstuk bestudeerd kan worden. Met dit analyse-instrument is het mogelijk bepaalde patronen aan te tonen die op het eerste gezicht niet opvallen. Zo kan worden aangetoond dat het (op het eerste gezicht saaie en nietszeggende stuk) Passage een duidelijke politiek-filosofische boodschap bevat.

 

Velen zullen zeggen: “Als deze boodschap op het eerste gezicht niet opvalt is het toch niet erg?” Het antwoord is ja en nee. Net zoals reclame niet alleen een product maar ook een bepaald wereldbeeld aanprijst (bij reclame meestal, maar niet altijd: de mens dient jong, mooi en succesvol te zijn) zo kan ook een toneelstuk een onderhuidse boodschap uitdragen, en kan deze boodschap problematisch zijn, bijvoorbeeld antisemitisch.

 

Modern toneel heeft meestal geen duidelijke impliciete boodschap, of alleen een uiterst vage boodschap, zoals bijvoorbeeld, dat het leven geen duidelijke zin heeft en de mens zelf aan het leven zin moet geven, of dat de mens geneigd is tot geweld en seks.

 

Een van de belangrijke hoofdconclusies die ik na de analyse van Passage trek (met de goedkeuring van de drama-paus Pfister) is dan ook dat dit stuk, geschreven door een DDR-auteur,  geen voorbeeld is van modern toneel of van moderne literatuur, maar een variante is van socialistisch realisme.

 

De vraag is dus of het toneelstuk Passage als moderne kunst of überhaupt als kunst kan worden beschouwd. Mijn beargumenteerd antwoord op beide vragen luidt: nee. Ook andere literatuurcritici hebben zich - zoals ik later heb ontdekt- over Christoph Hein zo uitgesproken:  er is bij hem geen sprake van kunst; en er is sprake van een variante van socialistisch realisme.

 

Drie instrumenten voor drama-analyse die Manfred Pfister beschrijft maken het mogelijk  om tot een meer omvattende structuuranalyse van Passage te komen:

1.     De analyse van de handelingsdimensie

2.     De analyse van de figurenconstellatie

3.     De analyse van de intertekstuele verwijzingen.

 

 

Bezoekers van modern toneel zijn het gewend dat de handeling niet veel zin maakt, en er meestal ook geen duidelijke plot in een toneelstuk zit, laat staan dat er een held wordt vertoond.

In Christoph Heins Passage is dit anders. Er is een handelingsdimensie, en er is een held. Bezoekers van modern toneel zijn het ook niet gewend dat er een banaal en systematisch contrast wordt opgebouwd tussen good guy and bad guy, of tussen succesvolle en teleurstellende figuur. Maar Passage werkt precies met deze tegenstelling.

 

Moderne literatuur en modern toneel citeert en becommentarieert meestal andere literaire of filosofische werken. De doorsnee bezoeker van toneel herkent weinig van deze verwijzingen, en dat hoeft ook niet, maar voor de dieper geïnteresseerde lezer (en in de literatuurwetenschap gaat het vooral om de drama-tekst) zijn de intertekstuele verwijzingen een belangrijk instrument om tot een meer omvattende analyse te komen. Christoph Heins Passage zit - ondanks de simpele tekststructuur - vol van literaire en filosofische verwijzingen. In die zin is de tekst wel degelijk complex en ook modern te noemen. Alleen is na nauwkeurige bestudering van deze verwijzingen de conclusie dat Hein in Passage en groffe afwijzing van de moderne kunst en filosofie ensceneert.

 

En, mag dat dan niet? Jawel, natuurlijk mag het.

 

Alleen, mijn analyse en mijn kritiek op Hein mocht niet bij de opleiding Duits in Leiden.

 

Parodie

 

 

Christoph Heins stuk Passage kan gelezen worden als een parodie op het beroemde Passagen-Werk van de joods-Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin (1892-1940).

Voor de analyse van het parodistisch karakter van Passage heb ik gebruik gemaakt van het literatuurwetenschappelijk instrumentarium van prof. dr. Wolfgang Karrer, die mijn analyse heeft gelezen en zijn schriftelijke instemming heeft betuigd.

Een parodie van een tekst kan volgens Karrer positief, negatief of neutraal zijn tegenover de oorspronkelijke tekst. Christoph Heins Passage is een parodie van Walter Benjamins Passagen-Werk die zich zeer negatief verhoudt tot deze tekst.

 

Volgens Karrer kan een parodie zichtbaar worden in de hele tekst of alleen in een bepaald figuur. In Passage concentreert zich de parodie van het Passagen-Werk op de figuur dr. Frankfurther, een figuur die een karikatuur van de auteur van het Passagen-Werk Walter Benjamin is.

 

Met de methode-Pfister kan bovendien worden aangetoond dat deze dr. Frankfurther, de Benjamin-karikatuur, nauw verbonden is met een tweede figuur in het stuk namelijk de Duitse jood Hirschburg. Hiermee worden twee figuren tegenover elkaar geplaatst die veel gemeen hebben, maar ook op cruciale punten van elkaar onderscheiden zijn.

Zonder een systematische analyse van stuk kan het een lezer ontgaan dat deze beide figuren sterk aan elkaar gerelateerd zijn, waarbij Hirschburg het positieve voorbeeld belichaamt en Frankfuther het negatieve voorbeeld geeft.

 

Volgens Manfred Pfister kunnen figuren als contrastfiguren worden begrepen als zij met elkaar verbonden zijn door tal van corresponderende en contrasterende eigenschappen. Het contrast ontstaat dus niet door de verschillende eigenschappen alleen, maar door een mengeling van eigenschappen die de figuren delen, en die zij juist sterk van elkaar onderscheiden.

 

Frankfurther und Hirschburg delen veel eigenschappen: zij zijn beide mannen, Duitse joden op de vlucht, en Duitse joden met een burgerlijke achtergrond. Zij zijn beide hoofdfiguren in Passage en houden beiden langere monologen.  In beide figuren zijn eigenschappen terug te vinden, die aantoonbar op Benjamins Passagen-Werk terug gaan, maar ook op tekst in het werk van een beroemde Duitse jood en zionist, Max Nordau (“Entartung”, 1892) . Beide figuren spreken pathetisch; beide joodse figuren verkondigen vooroordelen ten opzichte van joden. Beide figuren zijn op het eerste gezicht onsympathiek en worden onsentimenteel geschetst. Beiden reflecteren op kunst en het wezen van de kunst. Beiden hebben in andere boeken van Christoph Hein literaire broers die sterk op hen lijken.

 

De contrasten tussen Frankfurther/Benjamin en Hirschburg vat ik samen in een tabel:

 

Frankfurther

Hirschburg

 

 

wereldvreemd

 

 

praktisch

onnuttig

nuttig

stagnerend

ontwikkelend

pratend

handelend

gecultiveerd

cultuurbarbaar (in dit stuk positief)

nerveus

gelaten

egoïst

sociaal verantwoordelijk

kind

man

sociaal onderlegen

sterke wil en erkenning

onbegrip voor de Holocaust

redder van andere joden

atheïst

gelovig

resignerend

volhoudend

reflecterend

instinctief

 

In mijn Duits hoofdstuk over de parodie in Passage geef ik een groot aantal voorbeelden hoe het contrast Frankurther/Hirschburg in Passage wordt uitgewerkt met citaten uit het Passagen-Werk en uit Max Nordaus “Entartung”(“Ontaarding”) . Terwijl Frankfurther/Benjamin  in het begin van de tekst een aantal voorspellingen en beloftes doet, is hij over de hele lijn een verliezer, een zwakkeling, een moederkindje, die het aflegt tegen de schijnbaar domme en botte, maar uiteindelijk daadkrachtige redder Hirschburg.

Frankfurthers “passage” is een passage naar de dood, en Hirschburgs “passage” een doorgang naar de triomfantelijke ontsnapping.

 

Hirschburg is de held van het stuk Passage, en dat zeg niet alleen ik, zo wordt het ook in de secundairliteratuur beschreven en zo beaamde het ook prof. dr. A. V.

 

Frankfurther/ Benjamin daarentegen wordt met de hulp van citaten en denkbeelden uit Max Nordaus “Entartung” als een ontaarde verwende intellectuele jood geschetst wiens zelfmoord niet hoeft betreurd te worden.

Max Nordaus “Entartung” was een haatschrift op de moderne kunst, een voorloper van de kunsttheorie van de nazi’s . Christoph Hein heeft “Passage” gemodelleerd na het Entartungs-model van Nordau, en heeft ook het contrast Frankfurther/ Hirschburg vormgegeven na Nordaus model. Voor Nordau, net als voor Christoph Hein, is de filister, de geborneerde kleinburger het positieve model, en de moderne kunstenaar/filosoof “ontaard”. Een lang hoofdstuk van Nordau gaat over de vermeende ontaarding van Baudelaire, een dichter die voor Walter Benjamin zeer belangrijk was en in Benjamins Passagen-Werk een brede plaats inneemt. 

 

De karikatuur van Walter Benjamin

 

[voor uitvoerige beschrijving, details en verwijzingen zie mijn Duits hoofdstuk]

 

Passage combineert een parodie van het Passagen-Werk met een biografische schets van de auteur van dit werk, Walter Benjamin. Net zo als het toneelstuk details uit het Passagen-werk aanhaalt maar de intentie van het werk afwijst en ridiculiseert, wordt ook de biografie van Walter Benjamin in details correct weergeven, maar wordt de mens Walter Benjamin veroordeeld.

De details rondom de zelfdoding van Benjamin kloppen.

 

Het staat vanzelfsprekend iedereen vrij om een bepaalde mening te hebben omtrent Benjamin en diens levenseinde, en mag een schrijver een vervreemdende of karikaturale visie geven op een historisch persoon.

In sommige details wijkt de figuur Frankfurther- hoewel herkenbaar als Benjamin-karikatuur- niet in alles gelijk aan de historische Benjamin, en is de figuur negatiever, naïever en a-politieker geschetst dan de echte Benjamin het was.

 

Karikatuur en polemiek mag.

Wat Passage zo problematisch maakt, is de meedogenloze karikatuur van een jood die op de vlucht voor de nazi’s omkomt; een karikatuur, die via een “goede jood versus slechte jood”- constructie als onderlegen wordt getoond aan de anti-intellectuele militair-autoritaire jood en held Hirschburg.

 

De karikatuur van Benjamin gaat heel ver: Frankfurther is geestelijk en lichamelijk impotent (een worstje - zie mijn Duitse tekst voor een uitvoerige beschrijving van dit metafoor in Passage) , een verwende uitvreter, een overbodige, onnuttige en weerzinwekkende kletsmajoor.

 

Christoph Heins wereldbeeld zoals het zich in Passage maar ook in nieuwere romans laat kennen is aartsconservatief en oud-communistisch tegelijk, zoals niet alleen ik maar ook Duitse recensenten hebben vastgesteld. De harde verachting voor een verwende bourgeois filosoof zoals Benjamin past goed bij een dergelijk wereldbeeld.

 

Het intertekstuele verwijs naar de antieke tragedie

 

[voor details en verwijzingen zie mijn Duits hoofdstuk hierover]

 

 

Een parodie kan naar één of naar meerdere teksten van een auteur verwijzen. Passage verwijst niet alleen naar Walter Benjamins Passagen-Werk, maar ook naar veel andere van zijn teksten. In veel uitingen van de  figuur Frankfurther zijn toespelingen naar en citaten uit essays van Walter Benjamin te vinden, waarbij Benjamins woorden uit het verband woorden gerukt en de figuur Frankfurther in een combinatie van zelfbeschuldiging en zelfveroordeling in de mond worden gelegd, zo bijvoorbeeld ook citaten uit Benjamins essays over de antieke tragedie.

 

Frankfurther/Benjamin wordt als een man met een Oedipus-komplex afgeschilderd. Ik laat in mijn Duitse tekst uitvoerig zien waarom en hoe deze veroordelende psychologisering  problematisch is, en hoe sterk Christoph Hein hierbij afwijkt van de moderne literatuur en de behandeling van het genre tragedie en de verwijzing naar Oedipus in andere moderne stukken. Bij Christoph Hein dient het Oedipus-citaat een sociaaldarwinistische veroordeling van de zwakkere; een wereldbeeld dat elders in de modernen literatuur niet te vinden is.

De boodschap in Passage is: Frankfurther/Benjamin leidt aan zelfoverschatting en trots en gaat dus onder. De vervolging door de nazi’s speelt hierbij geen rol. De militaristische jood Hirschburg laat tenslotte zien dat een ontsnappen mogelijk was.

 

De zelfmoord van Frankfurther/Benjamin

 

[uitvoeriger zie mijn Duits hoofdstuk hierover]

 

Mijn Duits hoofdstuk sluit aan bij het uitgebreid onderzoek van prof. dr. Rohrwasser over de zelfmoord in de DDR-literatuur. Hij kent mij en mijn onderzoek, en is ook bekend met leven en werk van mijn joodse oom, de DDR-criticus Heinz Brandt, die ik in mijn Duitse analyse uitgebreid aanhaal.

 

In Passage gaat het om het belangrijk contrast: asociaal zelfmoord versus sociaal zelfoffer (Frankfurther versus Hirschburg) . Christoph Hein behandelt het voor de moderne literatuur uiterst belangrijk thema zelfdoding, maar neemt daarbij een positie in die tegenovergesteld is aan het wereldbeeld van moderne kunstenaars, en die daarentegen overeenstemt met het wereldbeeld van “Entartung”-auteur Max Nordau, net zoals met het politiek standpunt van oud-communisten.

 

In Passage wordt het werk van Walter Benjamin/Dr. Frankfurther gemeten aan diens zelfmoord, die als een volkomen en persoonlijke nederlaag wordt opgevat. Het werk wordt gemeten aan de biografie van de auteur, waarbij bovendien oorlog en vervolging buiten beschouwing blijven.

Walter Benjamins Passagen-Werk is volgens Hein al daarom belachelijk omdat de auteur een impotente loser is die zijn gelijke zoekt.

 

Volgens Rohrwasser wordt in de autoritair-socialistische literatuur de zelfmoord sterk veroordeelt, maar kan ook positief gezien worden in de zin van: de klassenvijand geeft op.

Deze beide aspecten worden in Passage terug gevonden. 

 

Ook in de Nederlandse literatuur vindt zich een belangrijke zelfmoord, in Bint van Ferdinand Bordewijk. Hier wordt gereflecteerd op het verband tussen systeem en zelfmoord, en wordt de zelfmoord opgevat als protest tegen het systeem. Het wereldbeeld in Passage lijkt hierbij op het autoritair perspectief van Bint, en niet op het kritisch perspectief van de auteur Bordewijk:

 

“[…] Hij dacht aan Van Beek. Over deze was niet meer gepraat. Hij zag de nerveuze zwakkeling  duidelijk vóór zich. Een kerel was dat nooit geworden. Het was merkwaardig dat er zo weinig over hem was gesproken. Een zelfmoord, een oproer waren toch gebeurtenissen. Maar Bint had een manier om praten, denken zelfs, te verbieden. Hij elimineerde zelfmoord en oproer, nu de school er geen rekening meer mee had te houden. Het werd doodgezwegen. Het hoorde bij zijn systeem. Naar het systeem telde niet het individu, opdat individuen geteeld werden uit het systeem.”

 

In mijn Duits hoofdstuk vergelijk ik de manier hoe de zelfmoord in Passage wordt getoond met een groot aantaal van andere zelfmoorden in de klassieke literatuur, in autoritair-politieke teksten, in de kritische DDR-literatuur en in andere boeken van Christoph Hein.

 

De haat op de intellectuelen

 

[voor de uitvoerige tekst zie hier mijn Duits hoofdstuk]

 

Fascisten, communisten en populisten verachten de intellectueel. De eigenschappen die bij hen aan de intellectueel worden toegedicht lijken daarbij op elkaar. Dietz Bering heeft de intellectuelenhaat in het nationaalsocialisme en in het communisme beschreven, en ik gebruik zijn boek voor mijn analyse van Passage.

 

Dr. Frankfurther is een figuur vormgegeven  vanuit een diepe afkeur voor intellectuelen. Hij is arrogant, zonder discipline, theoretisch-onpraktisch, ziek, praatziek, zonder instinct en een twijfelende nee-zegger.

 

Kritiek op intellectuelen is ook bij vele andere auteurs in de 20e eeuw te vinden, zoals bij Brecht, Canetti, Václav Havel en vele anderen. In mijn Duits hoofdstuk laat ik het grote verschil tussen de intellectuelenkritiek bij deze auteurs en bij Christoph Hein zien. Vooral het contrast van de intellectuele loser Frankfurther met de voorbeeldige a-theoretische en handelende held Hirschburg maakt het stuk Passage tot een populistisch en antimodern stuk.

 

In mijn Duits hoofdstuk ga ik ook nog in op Christoph Hein zelf als intellectueel, en op de kritiek bij Günter Grass op de reactionaire Christoph Hein.

 

 

 

De antisemitische teneur van Passage

 

Het stuk Passage kan “antisemitisch” kan worden genoemd.

 

In mijn uitvoerig Duits hoofdstuk ga ik uitgebreid in op het begrip “antisemitisme” , en op het feit dat dit begrip, net als het begrip “racisme”, verschillende definities kent, brede en smalle. Ik heb altijd aangegeven dat ik mij op de belangrijkste Duitse antisemitisme-deskundige baseer, de historicus Helmut Berding, die heeft aangegeven, dat er tussen cultureel en biologisch racisme geen eenduidige grens te trekken is.

 

Passage is gekleurd door cultureel antisemitisme, en niet door biologisch antisemitisme. Cultureel antisemitisme was in de visie van prof. Berding (die mijn teksten met goedkeuring heeft gelezen) de voorwaarde en het voorstadium van het latere biologisch antisemitisme, zonder dat het één met het ander altijd samenvalt.

 

Men zou mijn argumentatie kunnen vergelijken met iemand die in Nederland stelt dat Wilders een racist is, en dit beargumenteert vanuit een breed (=cultureel) racisme-begrip.

 

Samengevat zijn de argumenten om Passage een antisemitisch stuk te noemen:

 

ten eerste: de basis van het stuk Passage is een tegenstelling 'goede jood' versus 'slechte jood';

ten tweede: het stuk maakt onkritisch en niet-ironisch gebruik van antisemitische metaforen ;

ten derde: het stuk trivialiseert en banaliseert de vervolging van joden;

ten vierde: het stuk beeldt de slachtoffers van de vervolging af als daders.

 

 

In mijn Duits onderzoek ga ik uitvoerig op veel andere aspecten in van het werk van Christoph Hein in het algemeen en Passage in het bijzonder.

 

Ik ga onder meer in op de aristotelische geslotenheid van Heins stukken,

zijn banale en onpoëtische taal, zijn autoritair idealisme en zijn antimoderne decadentiekritiek.