Wetenschap Kunst Politiek

Maria Trepp

De actualiteit van Eriksons levenslooptheorie

1 comment

Eriksons levenslooptheorie

Erik Eriksons levenslooptheorie

De psychosociale ontwikkelingstheorie van Erik Erikson is nog steeds actueel. Er verschijnt regelmatig nieuw onderzoek omtrent deze theorie, zoals dit jaar in het gezaghebbend tijdschrift Developmental Psychology, waar het psychosociale model van Erikson wordt gebruikt in een longitudinale studie met volwassen proefpersonen van middelbare en hoge leeftijd (zie hieronder). Nu “ontwikkelingspsychologie” gepromoveerd is tot “levenslooppsychologie” zijn de theorieën van Erikson bijzonder relevant en wordt bovendien vaak empirische steun gevonden voor zijn concepten. Dit is opmerkelijk, omdat empirische onderbouwing voor psychodynamische concepten vaak ontbreekt, en Eriksons model behalve door de psychoanalyse ook door de literatuur (geen empirisch vak zou men denken) werd geïnspireerd: Shakespeares “Seven ages of Man”

Erik Erikson was een psychoanalyticus gespecialiseerd in kinderen, opgeleid bij Anna Freud in Wenen. Ook had een hij een Montessori-opleiding, die hem inspireerde de ontwikkeling van kinderen verder te bestuderen en het psychoanalytisch denken te verrijken. Nadat hij in de jaren dertig vanwege het opkomende nazisme naar de VS emigreerde werd hij daar een beroemde kinderanalyticus. Hij begon zich voor antropologie te interesseren nadat hij contact had gemaakt met  Margaret MeadGregory Bateson en Ruth Benedict. De antropologische invloed is in al zijn schriften sterk herkenbaar. In 1950 verscheen zijn beroemde boek Childhood and Society (Kind en samenleving) waar hij zijn acht stadia van de psychoseksuele ontwikkeling en zijn concept van de identiteitscrisis beschrijft. Kind en samenleving is een leesbaar en belangrijk boek, waar Erikson het model van Freud verbreedt en verdiept, waarbij het gedachtegoed en de terminologie van Freud nog sterk herkenbaar zijn. Echter spelen bij Erikson sociale, maatschappelijke en interpersoonlijke aspecten en persoonlijke groei en integratie een veel grotere rol dan bij Freud.  Erikson bewerkte (samen met zijn vrouw Joan Erikson) het model van Freud en paste het toe op latere levensfasen. Hij ontwikkelde het eerste model van de levenslooppsychologie. Anders dan Freud spreekt Erikson niet van trauma’s maar van een crisis, van een bepaald karakteristiek conflict in elke levensfase. Dit conflict is niet intrapsychisch veroorzaakt zoals bij Freud, maar vindt plaats tussen individu en omgeving of samenleving. Maar het psychosociaal conflict kan wel een innerlijk conflict zijn, en hoeft niet de vorm van een sociale tegenstelling te hebben. Problemen ontstaan als de bij het stadium horende vraagstelling of ontwikkelingstaak niet positief kan worden opgelost.

 

Eriksons stadia van psychoseksuele ontwikkeling

Eriksons levenslooptheorie

Seven Ages of Man

In het eerste levensjaar gaat het om het opbouwen van fundamenteel vertrouwen. Als een kind liefdevol wordt verzorgd, lichamelijk en sociaal (spel, goede interactie) ontwikkelt het een basisvertrouwen. Consistente en liefdevolle aandacht leggen de basis voor een goed zelfvertrouwen en een vertrouwen in de wereld.

In de peuterjaren gaat het om autonomie. Het kind kan en wil nieuwe dingen doen en testen, en moet hiertoe vrijheid maar ook goede steun krijgen, zodat het niet te veel slechte ervaringen maakt en angstig wordt.

In de kleutertijd ontwikkelt het kind steeds meer eigen initiatief en moet ook hierbij te ruimte krijgen maar ook realistische, beschermende grenzen respecteren.

In de leeftijd van de lagere school leert het kind productief te zijn, en dingen zelf te maken. Het kan plannen en verantwoordelijkheid nemen. Voor een goed ontwikkeld zelfvertrouwen is het belangrijk dat het kind hierbij successen beleeft.

De adolescentie is de fase waar het om de ego-identiteit gaat. Wie ben ik, hoe hangen de delen van mijn persoon en mijn ervaringen samen en wat wil ik? Dit de leidende vraag in een vaak moeizaam proces, een consistente visie op zich zelf en de eigen toekomst te ontwikkelen en de eigen visie ook aan te passen aan de wensen van de maatschappij. Op dit gebied van de identiteitsontwikkeling in adolescentie en vroege volwassenleeftijd (tot ca 24 jaar) wordt –ook in Nederland – nu zeer veel onderzoek gedaan in de voetstappen van Erikson en zijn navolger Marcia.

In de jonge volwassenjaren tot ongeveer een leeftijd van 40 jaar is het belangrijkste thema de opbouw van intieme relaties met vrienden en/of partner(s).

Het stadium van zo genoemde “generativiteit” in het midden van het leven (productiviteit, creativiteit, maatschappelijk engagement, zorg voor komende generaties) wordt in recente studies veel onderzocht, zo ook in de nieuwe studie in Developmental Psychology (zie hieronder). Dit stadium en het concept van generativiteit/productiviteit/betrokkenheid spreekt moderne mensen sterk aan en lijkt goed te verbinden met de populaire denkbeelden van de positieve en humanistische psychologie. Met de humanistische psychologie is Erikson zeker ook verbonden door zijn boek over Gandhi, waar hij zijn psychosociaal model aan de biografie van Gandhi illustreert. Maar Erikson is anders dan hyperpositieve denkers altijd een sociale en maatschappelijke analyticus, en dat bewaart hem voor de uitwassen van een oppervlakkige zelfoptimalisatie.

Het laatste stadium bij oudere mensen is een stadium van ego-integriteit en wijsheid: integratie van eerdere taken en vrede met zichzelf, het leven en de dood. Ook dit stadium wordt veel onderzocht in de Erikson-gerichte onderzoekstraditie, zo ook in de nieuwe studie van Malone et al.

Belangrijk is – en dit wordt vaak over het hoofd gezien – dat de stadia van Erikson niet hard en deterministisch zijn, maar vloeiend en variabel. Het is ook niet zo dat een bepaald thema (= innerlijke crisis) strikt aan een bepaalde leeftijd is gebonden. Elke crisis kan ook op andere leeftijden spelen, dit beklemtoont ook Erikson zelf, maar een bepaald dilemma is het meest waarschijnlijk op een bepaalde leeftijd. Zo spelen identiteitsvragen ook nog op hogere leeftijd, al zijn deze het meest prangend in de adolescentie en jonge volwassenheid.

Nieuw onderzoek

Deze recente studie van Malone et al. gebruikt longitudinale gegevens om te onderzoeken hoe zich de kwaliteit van de gemeten psychosociale ontwikkeling op middelbare leeftijd verhoudt tot cognitief en emotioneel functioneren op latere leeftijd. Ook werd onderzocht of depressie in de tweede helft van het leven hierbij een rol speelt. Deelnemers waren 159 mannen uit een longitudinaal onderzoek naar ontwikkeling bij volwassenen. De psychosociale ontwikkeling (volgens Erikson) werd gemeten op de leeftijd van 30-47 jaren met behulp van interviews. Later werd een neuropsychologische meting uitgevoerd op de leeftijd van 75-85 jaren, die cognitieve status en cognitieve controle alsmede geheugen omvatte. Bovendien werden depressieve symptomen op basis van de Geriatric Depression Scale gemeten. De resultaten toonen aan dat hogere eriksoniaanse psychosociale ontwikkeling 3 tot 4 decennia later met betere cognitieve functie en controle en minder depressie correleerde. Er werd echter geen relatie tussen eriksoniaanse ontwikkeling en geheugen gevonden. Depressie op hogere leeftijd is hierbij een mediatorvariabele voor de relatie tussen eriksoniaanse ontwikkeling en cognitieve functie. Depressie verklaart dus het verband tussen psychosociale ontwikkeling en cognitieve vaardigheid. Al deze resultaten werden gecontroleerd voor opleidingsniveau en intelligentie. Deze resultaten hebben belangrijke implicaties voor het begrip van de duurzame voordelen van psychosociale betrokkenheid op middelbare leeftijd voor de cognitieve en emotionele gezondheid in het latere leven. Daarnaast kan het zijn dat minder succesvolle psychosociale ontwikkeling depressie bevordert en mensen op het gebied van specifieke cognitieve vaardigheden kwetsbaar maakt.

Malone, Johanna C.; Liu, Sabrina R.; Vaillant, George E.; Rentz, Dorene M.; Waldinger, Robert J.

Midlife Eriksonian psychosocial development: Setting the stage for late-life cognitive and emotional health

Developmental Psychology, Vol 52(3), Mar 2016, 496-508.

 

Maria Trepp, docent masterclass Ontwikkelingspsychologie

 

 

 

Levenslooppsychologie en Nestor-effect: 60-plus wereldwijd aan de macht

no comment

Levenslooppsychologie en Nestor-effect: 60-plus wereldwijd aan de macht

Vandaag 27 augustus schrijft Paul Brill in de Volkskrant:

“…wie er ook zegeviert in de slag om het Witte Huis, vanaf januari 2017 zullen de vier belangrijkste westerse landen worden geregeerd door 60-plussers: Clinton of Trump, Merkel (62), May (dan inmiddels 60) en François Hollande (63) in Frankrijk. Speuren we verder het wereldtoneel af, dan zien we op de eerste rijen eigenlijk ook alleen maar oude(re) leiders staan…”

 

levenslooppsychologie en nestor-effect

Nestor

60-plus aan de macht. We zouden hier van het Nestor-effect kunnen spreken. Nestor nam op hoge leeftijd hij nog deel aan de oorlog tegen Troje, waar hij, als de oudste en meest ervaren onder de Griekse vorsten, beschouwd werd als hun algemeen gewaardeerde en gerespecteerde raadsman, vermaard om zijn wijze woorden en gedachten. (Wikipedia)

Het Nestor-effect staat ook in de titel van een interessant psychologisch artikel van Werner Greve *, David F. Bjorklund, The Nestor effect: Extending evolutionary developmental psychology to a lifespan perspective, Developmental Review 29 (2009) 163–179.

Vanuit een evolutionair levensloop-perspectief argumenteren de auteurs, dat de lange levensduur van de mens om een evolutionaire verklaring vraagt. Zij stellen dat de evolutie de lange duur van het menselijk leven heeft begunstigt vanwege de ervaring, kennis en wijsheid die oudere leden de menselijke samenleving bieden. Grootmoeders die zelf geen kinderen meer kunnen krijgen helpen de volgende generatie met de kinderen, maar dat niet alleen: überhaupt kan de ervaring van alle wijze ouderen de samenleving en de soort helpen en dus het resultaat zijn van natuurlijke selectie. Het Nestor-effect is dan het voordeel van cumulatieve en integratieve kennis van enkele leden van een groep.

Erik Erikson deelt in zijn psychosociaal levensloopmodel de levensloop van de mens in acht fases. Elke fase bestaat uit een “crisis” of ontwikkelingstaak. De politiek actieve 60-plussers hebben de ontwikkelingstaak van de zo genoemde “generativiteit” (productiviteit, creativiteit, maatschappelijk engagement, zorg voor komende generaties) op een constructieve manier weten af te sluiten en om te zetten en kunnen hopelijk ook hun wijsheid en integriteit (kenmerk van de succesvolle laatste levensperiode volgens Erikson) inzetten voor samenleving en nageslacht.

[Plaatje Door © Marie-Lan Nguyen / Wikimedia Commons, CC BY 2.5, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4051752]

Maria Trepp, docent Masterclass Ontwikkelingspsychologie

 

Persoonlijkheidsverandering in de loop van het leven

no comment

Nieuw onderzoek toont aan dat de persoonlijkheid in de loop van het leven verandert.

Wat bepaalt de acties van mensen? Velen van ons verklaren menselijk gedrag intuïtief met persoonlijkheidskenmerken: dus met een karakteristiek patroon van denken, voelen en gedrag, dat redelijk stabiel is en in verschillende situaties constant blijft.

Om persoonlijkheidskenmerken woedt sinds 1960 een fel wetenschappelijk debat: sommige psychologen beweren dat een bepaalde situatie, en niet persoonlijkheidskenmerken de belangrijkste oorzaak van gedrag zijn. Persoonlijkheid is grotendeels, of tenminste voor de helft erfelijk. Maar behavioristisch georiënteerde psychologen zetten vraagtekens bij de invloed van erfelijkheid en onderstrepen de invloed van situaties en leergeschiedenis op het gedrag ten opzichte van stabiele interne of erfelijke factoren.

In de laatste twee decennia werd met behulp van uitgebreid onderzoek vastgesteld dat persoonlijkheidskenmerken bestaan, en dat deze het feitelijke gedrag van een persoon gedeeltelijk kunnen voorspellen  en ook een voorspellende kracht bezitten, wat de verschillende indicatoren van maatschappelijk succes betreft, zoals bijvoorbeeld inkomen.

De effecten van persoonlijkheidskenmerken op het gedrag zijn het makkelijkst te onderkennen wanneer mensen herhaaldelijk in verschillende situaties worden geobserveerd: In elke unieke situatie wordt het gedrag van een persoon door zowel de persoonlijkheid als ook situatie beïnvloed. Maar als iemand in veel verschillende situaties geobserveerd wordt, kan men de psychologische invloed van gedrag vaststellen.

Persoonlijkheidsverandering “Big Five”Big-Five-persoonlijkheid-copyright-ctp.publication-at-gmail.jpg

Veel studies en daarmee samenhangende complexe berekeningen hebben aangetoond welke persoonlijkheidskenmerken voor het begrijpen van het gedrag het meest belangrijk zijn. Het belangrijkste model (het universele standaard model) van de persoonlijkheidspsychologie wordt “Big Five” genoemd. Dit is een persoonlijkheidsmodel dat vijf belangrijke dimensies van de persoonlijkheid toont: Extraversie (tegenpool: Introversie), vriendelijkheid, zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en openheid voor nieuwe ervaringen.

 

 

Persoonlijkheidskenmerken zijn relatief stabiel in de verloop van tijd, maar ze kunnen ook tijdens het leven geleidelijk veranderen, en dat gebeurt dan meestal in een positieve richting. Uit veel onderzoeken blijkt dat de meeste volwassen vriendelijker, zorgvuldiger en emotioneel veerkrachtiger zijn, als ze ouder worden. Deze veranderingen ontwikkelen zich over jaren of decennia. Verschillende studies in de afgelopen jaren hebben dit aangetoond. Het meest interessante en meest complete onderzoek (ruim 1 miljoen deelnemers) komt van Christopher J. Soto en anderen, en werd gepubliceerd in het Journal of Personality en Sociale Psychologie ( Age Differences in Personality Traits From 10 to 65: Big Five Domains and Facets in a Large Cross-Sectional Sample, Journal of Personality and Social Psychology 2011, Vol. 100, No. 2, 330–348). Het gaat hier om een dwarsdoorsnedeonderzoek, waar verschillende mensen op verschillende leeftijden onderzocht worden. Het gaat dus niet om herhaald onderzoek bij dezelfde personen, zoals het in een longitudinale studie.

Het onderzoek van Soto al. is om verschillende redenen zeer interessant:

  • Er worden verschillen in persoonlijkheid bij personen van 10 tot 65 jaar onderzocht
  • De resultaten worden gender-specifiek geanalyseerd
  • De resultaten worden niet alleen op het niveau van de vijf Big Five-dimensies onderzocht, maar ook in groter detail: namelijk afzonderlijk voor twee verschillende facetten per Big Five eigenschap. Bij sommige Big Five dimensies zijn de leeftijdstrends op het detailniveau van de facettendimensie van bijzonder belang, zoals bijvoorbeeld de facettendimensie zelfdiscipline als een deeldimensie van zorgvuldigheid.

 

De resultaten persoonlijkheidsverandering

van het dwarsdoorsnedeonderzoek van Soto voor volwassenen (resultaten voor kinderen, adolescenten en jonge volwassenen zien de oorspronkelijke studie):

  • Zorgvuldigheid neemt bij de oudere deelnemers aan de studie toe. Vrouwen zijn meer zorgvuldig dan mannen (zie grafiek Soto p. 337 linksonder)
  • De deeldimensie zelfdiscipline is voornamelijk verantwoordelijk voor de toename in zorgvuldigheid terwijl ordelijkheid (het tweede facet van de dimensie zorgvuldigheid) niet veel verschilt tussen deelnemers van verschillende leeftijden (zie grafiek Soto p. 337 rechtsonder). De toename van de zelfdiscipline is waarschijnlijk gerelateerd aan de socialisatie en verantwoordelijkheid in werk en gezin.
  • Vriendelijkheid verschilt niet veel tussen volwassenen van verschillende leeftijd, maar is wat sterker bij oudere personen. Vrouwen zijn algemeen vriendelijker dan mannen (zie diagram Soto p. 338 boven).
  • Neuroticisme (=tegendeel van emotionele stabiliteit), met de facetten van angst en depressie, verschilt sterk tussen volwassenen van verschillende leeftijd (dit resultaat komt terug in alle vergelijkbare studies), waarbij jongere volwassenen veel kwetsbaarder zijn dan oudere. In alle studies scoren jonge vrouwen veel hoger dan jonge mannen op neuroticisme, en dan met name op de sub-dimensie angst, maar nemen de neuroticisme-verschillen tussen mannen en vrouwen in de loop van leven af (zie diagram Soto p. 338).
  • Extraversie blijft tijdens het leven ongeveer gelijk, en vrouwen zijn iets extraverter dan mannen (zie grafiek Soto p. 340 hierboven).
  • Oudere deelnemers tonen iets meer openheid voor nieuwe ervaringen, waarbij mannen gemiddeld meer open zijn dan vrouwen. Er zijn grote verschillen op het niveau van de facetten: Vrouwen van alle leeftijden zijn opener voor esthetiek dan mannen; terwijl mannelijke deelnemers vanaf de leeftijd van 25 jaar meer open zijn voor nieuwe ideeën dan vrouwen (Soto, p. 341 boven).

Al deze resultaten voor persoonlijkheidsverandering zijn niet van toepassing op het individuele niveau en kunnen ook te wijten zijn aan de generatieverschillen. De resultaten zijn ook mogelijk cultuurspecifiek omdat de vragen in het Engels zijn ingevuld (…maar de vragen waren wel voor iedereen online beschikbaar).

Een heel ander aspect van persoonlijkheidsverandering in de tijd komt uit evolutionair onderzoek naar voren: uit tweelingsonderzoek blijkt, dat neuroticisme met de tijd over de populatie afneemt en extraversie toeneemt, op grond van reproductief gedrag: neurotische mensen krijgen minder kinderen en extraverte mensen juist meer kinderen.

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Bestaat de midlife crisis?

no comment

Midlife crisis:

Een nieuw onderzoek stelt vast dat veertigers en vijftigers het vaakst een levenscrisis ervaren, vrouwen in hogere mate dan mannen.

Overigens stelt dit onderzoek ook vast, dat we in een dergelijke crisis meer openstaan voor nieuwe inzichten. We worden nieuwsgieriger naar onszelf, anderen en de wereld om ons heen, en dit terwijl mensen over het algemeen minder nieuwsgierig zijn naar zichzelf en anderen.

Het klassieke midlife crisis-model gaat uit van een u-shape van de levenstevredenheid tijdens het leven: hoog in het begin en het einde van het leven, lager in het midden. Mensen ervaren vaak in de leeftijd tussen 40 en 50 jaar een periode van rusteloosheid, ontevredenheid en angst. Fysieke veranderingen zoals gewichtstoename, slechtere ogen en de noodzaak van een bril, grijs en minder haar kunnen ook bijdragen aan een slechtere stemming.

Zie hier uitgebreid: Is well-being U-shaped over the life cycle?

u-shape midlife crisis

In het psychosociale ontwikkelingsmodel van Erikson wordt deze levensfase gekenmerkt door een conflict tussen stagnatie en generativiteit (de wens iets voort te brengen dat het individu overstijgt, productiviteit en creativiteit). Onvrede met de eigen stagnatie zou dan samenvallen met het concept van de midlife crisis.

Grappig genoeg heeft men hetzelfde u-shape effect bij mensapen vastgesteld: Mensapen hebben ook een dergelijke crisis, als dertiger. Dit zou erop kunnen wijzen dat biologische factoren een rol spelen, en niet alleen sociaal-culturele factoren zoals een hoge werk- en verantwoordelijkheidsbelasting tijdens de middelbare jaren.

Veel films en comedy’s maken hebben de midlife crisis tot onderwerp, bijvoorbeeld American Beauty, waar een 42-jarige vader die een midlife crisis doormaakt verliefd raakt op de beste vriend van zijn tienerdochter.

“Mid-life crisis is what happens when you climb to the top of the ladder and discover it’s against the wrong wall.” – Joseph Campbell

Maar er zijn veel onderzoeken die het begrip midlife crisis afwijzen en een andersoortige ontwikkeling van het subjectieve levensgeluk vaststellen. Het probleem met dit soort onderzoek is dat verschillende generaties (cohorten) met elkaar worden vergeleken. Als men longitudinaal onderzoek doet, waarbij een bepaalde groep in de levensloop gevolgd wordt, vindt men (in ieder geval in bepaalde culturen) toenemende tevredenheid tijdens het leven. (zie Scientific American, Most People Get Happier as They Approach Midlife.

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Pluralistische onwetendheid- sociale psychologie

no comment

Pluralistische onwetendheid (pluralistic ignorance) is een begrip uit de sociale psychologie.

Pluralistische onwetendheid beschrijft een situatie waar de meerderheid van een groep een mening, gedrag of standpunt afkeurt, maar de personen individueel (en tegen de werkelijkheid in) overtuigt zijn dan de anderen dit algemeen afgekeurde standpunt wel degelijk goedkeuren. Als mensen in een groep zich in een onzekere en moeilijk in te schatten situatie bevinden en niemand weet hoe men moet handelen, kijken mensen graag naar het gedrag van anderen. Dit gedrag van anderen wordt dan niet als onzekerheid geïnterpreteerd (terwijl deze interpretatie op de hand ligt als men zelf ook onzeker is) maar als gevolg van een bewuste beslissing. Men interpreteert dus het gedrag van anderen, die zich identiek gedragen als men zelf, anders dan het eigen gedrag en men past zich bovendien ook nog aan de verkeerd opgevatte algemene mening aan. Verschillen tussen privéovertuigingen en iemands gedrag in het publiek zijn goed gedocumenteerd in de sociaalpsychologische literatuur als een vorm van sociale invloed. Sociale invloed speelt dan ook een centrale rol in dit fenomeen van pluralistische onwetendheid.

Voorbeelden:

  • De docent vraagt of er nog vragen zijn. Niemand zegt iets. Veel aanwezigen vatten dit op als een teken dat de anderen alles begrepen hebben, en dit terwijl de andere aanwezigen ook onzeker zijn of vragen hebben en zelf ook naar de reacties van de groep kijken.
  • Het meest bekende voorbeeld van pluralistische onwetendheid is het omstandereffect (bijstandereffect). In een noodsituatie met meerdere toeschouwers grijpt niemand in omdat iedereen het aarzelende niet-ingrijpen van de anderen als een bewuste beslissing begrijpt en daaruit afleidt dat actie niet noodzakelijk is.
  • Halbesleben et al. (2007) betogen dat de pluralistische onwetendheid de reden kan zijn dat werknemers hun werkelijke mening over een onderwerp niet met collega’s delen omdat zij denken dat de groepsidentiteit verdedigd moet worden en dat de groep anders denkt dan zij zelf. Het gevolg is dan hogere stress en een lagere graad van betrokkenheid onder werknemers. Voor de organisatie als geheel kan pluralistische onwetendheid leiden tot een zwakke organisatiecultuur, die eigenlijk niet wordt ondersteund door haar leden, en tot slechte besluitvorming kan leiden omdat de werknemers hun eigen overtuigingen niet uiten en zich aan een vermeende gedeelde mening aanpassen. Halbesleben JRB, Wheeler AR, Buckley MR (2007) Understanding pluralistic ignorance: application and theory. Journal of Managerial Psychology 22(1):65–83
  • In “Smarter Than You Think: How Technology Is Changing Our Minds for the Better” beschrijft Clive Thompson het systematische gebruik van pluralistische onwetendheid door autoritaire regimes. Als iedereen denkt dat de anderen het regime tolereren zal niemand de opstand aandurven (zie ook de kleren van de keizer). Clive Thompson meent dat de opkomst van digitale en sociale media de pluralistische onwetendheid kan opheffen. Actievoerders en aanhangers kunnen met elkaar communiceren over de (verborgen) doelen en meningen.

Maria Trepp, docent sociale psychologie

Recente berichten

Categories

Tags

Archives