Beter leesbare versie: www.passagenproject.com/betrokkenbestuurders.pdf

 

Passage(n)-project censuuraffaire: Betrokken bestuurders

Maria Trepp

 

 contact: maria punt trepp at gmail punt com

Bij de antisemitisme/censuur/intimidatie-affaire in Leiden bij de opleiding Duits zijn de volgende bestuurders betrokken:

1.     De toenmalige decaan Letteren Blockmans heeft in oktober 2000 met een actieve interventie ervoor gezorgd dat mijn afstudeerscriptie over Christoph Heins stuk Passage  zonder wetenschappelijke redenen gecensureerd werd (zie www.passagenproject.com/scriptie.html ; het uit deze scriptie voortgekomen onderzoek , zie www.passagenproject.com/inhalt.html heeft de schriftelijke toestemming van zes in de scriptie aangehaalde wetenschappers, o.a. van de deskundige voor drama-analyse, prof.dr. Manfred Pfister en van de antisemitisme-deskundige prof.dr. Helmut Berding). Blockmans wist dat mijn enige eis in het conflict rond Passage was, dat er in Leiden een openbare discussie over het stuk Passage zou komen. Blockmans heeft er niets voor gedaan om dit mogelijk te maken.

 

2.     De toenmalige opleidingsdirecteur (daarna decaan Letteren)  en Ton van Haaften is actief betrokken geweest bij het censureren van mijn eerste scriptie en heeft met een actieve interventie ook voor het censureren van mijn tweede scriptie ( www.passagenproject.com/scriptie2.html ) gezorgd- zonder wetenschappelijke redenen. In zijn e-mail aan mij van 21 februari 2001 schrijft hij: ““U kunt in principe afstuderen op de scriptie over Brecht-Dürrenmatt die u heeft ingeleverd bij de heer Onderdelinden , mits u de epiloog over Hein hieruit verwijdert”. Hij geeft geen wetenschappelijke reden op, en schrijft zelfs dat ik in een nieuw slothoofdstuk niet naar de kwestie Hein mag verwijzen.

De “epiloog” -of liever gezegd het slothoofdstuk-  ging niet alleen over Hein. Dit hoofdstuk had ook direct betrekking op het       thema van mijn scriptie, zoals iedereen zelf in het genoemde scriptie2-bestandje kan lezen.

 

3.       Ik ben toen alleen met deze censuur (het wegstrepen van mijn slothoofdstuk) akkoord gegaan omdat Van Haaften mij beloofde, dat de Universiteit mij na mijn afstuderen niet zou laten vallen, en dat men mij bij mijn onderzoek zou steunen. (zie uitvoerig www.passagenproject.com/einleitung.html ).  [ Ik heb trouwens geen gebruik gemaakt van de inspraakprocedures omtrent de goedkeuring van scripties, omdat ik ondanks de censuur cum laude kon afstuderen].

 

 

4.     Uit de stukken van het Passage(n)-proces en uit een getuigenverhoor met Clarije Groffen blijkt, dat het Faculteitsbestuur Letteren een communicatieverbod heeft uitgevaardigd, dat niet alleen ten aanzien van mijn persoon gold en geldt, maar ook ten aanzien van alle anderen die helderheid in de affaire-'Passage' willen brengen .

 

5.     Het is opmerkelijk dat ik het stuk Passage niet mocht bekritiseren. De studente Duits Dorien de Graaff heeft eerder in een werkstuk bij de opleiding Duits dit toneelstuk ook als een “onprettig” stuk beschreven, waar de joodse wetenschapper Frankfurther (= Walter Benjamin) onaardig werd voorgesteld.

 

 

 

In de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gaat artikel 1.6 over de academische vrijheid. Het artikel bestaat uit één gebod. 'Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.' Uitleg ontbreekt.

 

In juni 2006 is een voorstel voor een nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek naar de Tweede Kamer gezonden. Die ene zinsnede over de academische vrijheid is onveranderd. De toelichting op de wet biedt aanknopingspunten: daarin komt het begrip zeventien keer voor.

Bijvoorbeeld: 'De academische vrijheid blijft een toetssteen voor zowel universiteiten als hogescholen.' En: 'De academische vrijheid hangt ten nauwste samen met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting (...). Het begrip richt zich op docenten, studenten en onderzoekers. Zij hebben de vrijheid bij het geven en ontvangen van onderwijs en het verrichten van onderzoek hun eigen wetenschappelijke inzichten te volgen en daarbij niet afhankelijk te zijn van bepaalde politieke, filosofische of wetenschapstheoretische opvattingen.'

Er zijn grenzen aan de academische vrijheid ('het onderzoeksthema moet passen binnen het door de instelling vastgestelde onderzoeksbeleid'), maar de rol van de rector en de andere leden van het universiteitsbestuur blijft beperkt: 'Het bestuur moet staan voor de basiskwaliteit (...) van het onderwijs en onderzoek, maar gaat niet over de feitelijke inhoud van het onderwijs en onderzoek.' […] In het advies van de Raad van State bij het nieuwe wetsvoorstel staat dat het academische systeem niet moet zijn gestoeld op 'georganiseerd wantrouwen', maar op het 'organiseren van kritische tegenkrachten'. “[1]

 

 

Prof. dr. Gerard van Tillo (met wie ik ook in contact ben over de affaire Passage) schrijft in zijn lezersbrief in de NRC van 1 augustus 2006 over de “universiteitsmaffia”, de corrupte bestuurders:

 

Prof. Hans Wijnberg pleit terecht voor de terugkeer van de senaat om de besturen van universiteiten te controleren (Opiniepagina, 26 juli). In mijn boek Dit volk siert zich met de toga. Achtergronden van het academisch onbehagen heb ik dit rottingsproces beschreven. Vanaf het moment dat de bestuurders de vrije hand hadden is de universiteit omgebouwd tot een door managers aangestuurde geldfabriek. Zij opereren onder dekmantels die een wetenschappelijke functie veronderstellen zoals rector magnificus, decaan, afdelingsvoorzitter en directeur, maar die in feite de opdracht hebben om geld vrij te maken voor de instelling.

Wie hierbij risico's durft te nemen komt het verst. Maar als het College van Bestuur daardoor in opspraak komt, wordt de schuldige ontslagen. Deze is daarvoor echter al bij voorbaat schadeloos gesteld door een hoog salaris, het vooruitzicht van een gouden handdruk of de toezegging van een andere functie binnen de organisatie. Zijn (haar) opvolger hoeft niet eerlijker of rechtvaardiger te zijn, maar wel slimmer, zodat het CvB geen last meer krijgt. Zo krijgt de universiteit de kenmerken van een maffiaorganisatie, waarin de bazen geen verantwoordelijkheid nemen voor wat in hun organisatie gebeurt, en zelf buiten schot blijven.

Gerard van Tillo, Amsterdam”

 

 

==================================================

 

De affaire Passage is nog niet afgesloten. In 2011 heeft de rechtbank in Den Haag belangrijke getuigen gehoord zoals prof.dr.  Vincent Icke en de Leidse docenten dr. Sjaak Onderdelinden. Uta Schmidt moet nog in een openbaar verhoor over deze zaak moeten worden gehoord. http://www.passagenproject.com/proces.html

 

Sjaak Onderdelinden beklemtoonde wederom, dat hij zelf mij had gevraagd de analyse van Passage te maken (zie http://www.passagenproject.com/christoph_hein_passage_analyse.pdf) en dat ik de gebruikte methode-Pfister bij hem had geleerd; mij tegenover derden heeft geprezen vanwege mijn wetenschappelijke kwaliteiten; hij liet ook aan het hof weten, dat hij mijn fluitspel leuk had gevonden; dit ook tegen de politie Leiden had gezegd; zijn raam openhield tijdens mij fluitspel, geen last te hebben gehad van mijn mails, met mij te hebben “geworsteld” en niet bang te zijn voor mij.

 

Prof.dr. Vincent Icke (die mij en mijn teksten heel goed kent, en met wie ik sinds het begin van de affaire-Passage in contact ben, en die mij aanmoedigde ten mevr. Visser aangifte te doen wegens het doen van valse aangifte):

“Het idee dat je aan een universiteit in vrijheid onderzoek kunt doen is voor een groot deel verdwenen, en waar het niet verdwenen is, is het bedreigd.”[2]

 

 

 



[1] Michael Persson, de Volkskrant, 1 juli 2006.

Leuk is het feit, dat de jurist en socioloog Kees Schuyt nu bij de Raad van State werkt, die dit advies uitbracht. Kees Schuyt kent mijn onderzoek en de hele censuuraffaire goed; ik heb mijn onderzoek in persoonlijke gesprekken met hem besproken, en zou zonder zijn steun nooit kunnen hebben volhouden. Ook mijn nieuw onderzoek over de Burke Stichting ging van start naar aanleiding van een rede die Schuyt in de Pieterskerk in Leiden hield op 1 juli 2005, zie www.passagenproject.com/conservatisme.html . Schuyt is een grote tegenstander van de nazie-jurist en antisemiet Carl Schmitt, die nu door een medewerker van de opleiding Duits, Jerker Spits, wordt verheerlijkt. Schuyt is bovendien Cleveringa-hoogleraar 2006/2007 in Leiden.

[2]In: Leidraad oktober 2005, p. 15.